Groen licht voor grensbepaling 30%-regeling

De toepassing van de 30%-regeling en de 150-kilometergrens leidt niet tot een systematische overcompensatie van de werkelijke kosten van de ingekomen werknemers. De Hoge Raad vindt de regeling daarom niet in strijd met het Europees recht.

8 maart 2016 | Door redactie

Eén van de voorwaarden voor toepassing van de 30%-regeling (tool) voor ingekomen werknemers is de zogenoemde 150-kilometergrens. Die stelt dat buitenlandse werknemers alleen voor een forfaitaire vergoeding voor extraterritoriale kosten in aanmerking komen als ze vóór hun baan in Nederland op een afstand van minimaal 150 kilometer van de Nederlandse grens woonden. De Europese Commissie stelde eerder dat deze kilometergrens in strijd is met het vrije werknemersverkeer binnen de Europese Unie.

Geen systematische overcompensatie

Het Europese Hof van Justitie gaf vorig jaar echter aan dat de 30%-regeling en de 150-kilometergrens niet in strijd zijn met het Europees recht. De Hoge Raad voegt daar nu aan toe dat de 30%-regeling expats die de 30%-regeling mogen toepassen ook niet systematisch bevoordeelt omdat hun vergoeding hoger is dan hun werkelijke extraterritoriale kosten.

Niet in strijd met Europees recht

Ingekomen werknemers (tool) die voordat ze in Nederland gingen werken verder dan 150 kilometer van de Nederlandse grens woonden, hebben gewoonlijk meer extraterritoriale kosten dan werknemers die van binnen deze 150-kilometergrens naar Nederland zijn gekomen. De grensbepaling zorgt er dus juist voor dat eventuele overcompensatie van kosten beperkt blijft. Bij (zeer) hoge lonen kan het vaste percentage van de 30%-regeling wel tot overcompensatie leiden, maar dat betekent volgens de Hoge Raad niet dat de regeling systematisch tot een duidelijke overcompensatie leidt. De regeling is dus niet in strijd met het Europees recht.
Hoge Raad, 4 maart 2016, ECLI (verkort): 360