Commerciële tarieven geen beletsel voor ANBI

Het gebruik van commerciële tarieven hoeft geen probleem te zijn voor het verkrijgen van de ANBI-status. Volgens de Hoge Raad gaat het erom of uw organisatie een winstoogmerk heeft en exploitatieoverschotten behaalt.

14 december 2016 | Door redactie

In dit arrest van de Hoge Raad ging het om een stichting die een katholiek weekblad uitbracht. De Belastingdienst weigerde om de ANBI-status af te geven, omdat het uitgeven van het weekblad voorop stond en niet zozeer het algemene belang. Gerechtshof Arnhem Leeuwarden gaf de Belastingdienst gelijk en stelde dat de stichting werkte met commerciële tarieven. Advocaat-generaal IJzerman dacht daar anders over en stelde dat de stichting als doel moest hebben om er financieel voordeel mee te behalen.

Geen winstoogmerk aanwezig

De Hoge Raad volgde de advocaat-generaal en gaf aan dat de stichting ook met commerciële tarieven het algemeen belang kon dienen. Het ging er namelijk niet om hoe de tarieven ervaren werden door degene die ze moest betalen, maar of de tariefstelling gericht was op het behalen van exploitatieoverschotten. In dit geval was het doel van de stichting niet om met de tariefstelling exploitatieoverschotten te behalen. De abonnementsprijs was namelijk niet kostendekkend voor de stichting. Daarnaast behaalde de stichting sinds haar oprichting alleen maar verliezen. Er kon daardoor volgens de Hoge Raad geen winstoogmerk aanwezig zijn bij de stichting. Het uitgeven van het nieuwsblad stond volledig in het teken van het verkondigen van de boodschap van het katholieke geloof. De stichting diende dus het algemeen belang.

Stichting moet algemeen belang dienen

Het is nu aan Gerechtshof ’s-Hertogenbosch om te bepalen of de feitelijke werkzaamheden van de stichting voor 90% of meer bestaan uit het uitgeven van het weekblad en het bevorderen van dergelijke andere publiciteit. Bevestigt het gerechtshof dat, dan dient de stichting het algemeen belang voldoende en moet de Belastingdienst de ANBI-status goedkeuren.
Hoge Raad, 25 november 2016, ECLI (verkort): 2668