Werknemers gaan steeds later met pensioen

De gemiddelde pensioenleeftijd van werknemers stijgt in een hoog tempo. In 2018 was de gemiddelde pensioenleeftijd 65 jaar, terwijl in 2006 werknemers bij de start van hun pensioen gemiddeld nog jonger dan 61 jaar waren.

9 augustus 2019 | Door redactie

Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) houdt de ontwikkeling van de gemiddelde pensioenleeftijd bij. Hierbij geldt dat een werknemer de pensioenleeftijd bereikt op het moment dat het pensioen zijn voornaamste inkomensbron is. Uit nieuwe, voorlopige cijfers over het jaar 2018 blijkt dat de pensioenleeftijd binnen een jaar tijd met vier maanden is gestegen: van 64,6 jaar in 2017 naar 65 jaar in 2018. Aan het begin van deze eeuw lag de gemiddelde pensioenleeftijd nog rond de 61 jaar, maar sinds 2007 is er door het regeringsbeleid veel veranderd.

Vertraagde stijging van AOW-gerechtigde leeftijd

Zo werd om de oudedagsvoorziening betaalbaar te houden besloten tot een stapsgewijze verhoging van de AOW-leeftijd vanaf 2013. In 2018 kregen werknemers het recht op AOW als zij de leeftijd van 66 jaar bereikten. Waar in 2006 nog zo’n 88% van de werknemers voor de 65e verjaardag met pensioen ging, is dit percentage in 2018 gedaald naar 34%. Door de stijging van de AOW-leeftijd zal dit percentage verder afnemen. Wel is recentelijk op basis van het pensioenakkoord geregeld dat de AOW-leeftijd trager zal stijgen dan oorspronkelijk in de wet was opgenomen. De AOW-leeftijd van 2019 (66 jaar en 4 maanden) blijft hetzelfde in 2020 en 2021. Vanaf 2024 is de AOW-leeftijd 67 jaar.

Werknemers met ‘lage’ opleiding gaan later met pensioen

Uit de cijfers van het CBS blijkt ook dat de afgelopen jaren het verschil tussen de gemiddelde pensioenleeftijd van laagopgeleiden en hoogopgeleiden groter is geworden. Een hoogopgeleide werknemer ging in 2018 met pensioen bij een leeftijd van 64,8 jaar. Voor middelbaar opgeleide werknemers bedroeg de gemiddelde pensioenleeftijd 64,9 jaar, en voor laagopgeleiden 65,5 jaar.
De verschillen tussen bedrijfstakken zijn juist kleiner geworden. De gemiddelde pensioenleeftijd is in de gezondheids- en welzijnszorg het laagst (64,4 jaar in 2018) en in de brede bedrijfstak ‘overige dienstverlening’ het hoogst (66,5 jaar). Ook in de agrarische sector werd doorgewerkt tot 66 jaar.