Sterke daling van aantal parttimers dat meer uren wil werken

Organisaties zouden een personeelstekort voor een deel kunnen tegengaan door de contracten van deeltijders uit te breiden, zo wordt weleens gesteld. Maar steeds minder parttimers willen meer werken.

18 april 2019 | Door redactie

Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) heeft voor de publicatie De arbeidsmarkt in cijfers 2018 (pdf) het zogeheten onbenut arbeidspotentieel onder de loep genomen. Uit de analyse van het CBS komt naar voren dat het aantal deeltijdwerkers dat meer uren zou willen werken en hiervoor beschikbaar is de afgelopen jaren sterk is afgenomen. In 2014 wilden 583.000 parttimers meer uren werken. In 2018 geldt deze wens tot urenuitbreiding voor ‘slechts’ 382.000 parttimers. Deze groep vormt zo’n 4% van de 8,8 miljoen werkende Nederlanders.

Parttimer wil 12 uur extra werken

De onderbenutte deeltijdwerkers werken gemiddeld 18 uur per week en willen 12 uur per week meer werken. Zij zijn vaak actief in dienstverlenende, bedrijfseconomische en administratieve beroepen en zorg- en welzijn beroepen. Beroepen met een sterke afname van bereidheid om meer uren te werken, zijn onder andere schoonmakers, keukenhulpen, verzorgenden en sociaal werkers.

Werknemer beslist zelf over uren

Een werkgever die met een tekort aan personeel kampt, kan parttimers vragen of zij meer uren willen werken. Hij kan ze hier echter niet toe dwingen. De arbeidsduur is een arbeidsvoorwaarde en de werkgever mag deze in principe alleen wijzigen als de werknemer daarmee instemt. Als alternatief kunnen de werkgever en werknemer overeenkomen dat zij de arbeidsduur voor enkele maanden uitbreiden. Dit moeten zij dan duidelijk vastleggen. Een werknemer kan ook zelf om meer uren verzoeken. De Wet flexibel werken regelt dat de werkgever dit in veel gevallen moet accepteren.

Steeds meer mensen aan het werk

Overigens bestaat het onbenut arbeidspotentieel niet alleen uit deeltijders, maar ook uit personen zonder betaald werk. Ook het aantal werklozen, dat wel recent naar werk heeft gezocht en daarvoor direct beschikbaar is, is in 2018 verder afgenomen (tot 307.000). Het CBS geeft aan dat daarmee het aantal werklozen voor het eerst lager is dan op het laagste punt vlak voor het begin van de crisis in 2008. Daarnaast is de niet-beroepsbevolking verder geslonken. In totaal is het onbenut arbeidspotentieel in de periode 2014-2018 gedaald van 1,7 miljoen naar 1,1 miljoen mensen.