Werknemers krijgen recht op flexibel werken

De Eerste Kamer is akkoord gegaan met het initiatiefwetsvoorstel voor de Wet flexibel werken. Uw medewerkers krijgen hierdoor het recht om thuis te werken. Wilt u zo’n verzoek van een medewerker om thuis te werken afwijzen, dan zult u dat goed moeten motiveren en onderbouwen. Er hoeft echter geen sprake te zijn van een zwaarwegend bedrijfsbelang om het verzoek te weigeren.

16 april 2015 | Door redactie

De Wet flexibel werken (pdf) vervangt de Wet aanpassing arbeidsduur (WAA). In de WAA is geregeld dat werknemers één keer in het jaar een verzoek kunnen indienen voor de aanpassing van hun arbeidsduur (bijvoorbeeld van een 32-urige werkweek naar een 36-urige werkweek). Onder de Wet flexibel werken blijft dit zo, maar de wet regelt ook dat werknemers een verzoek kunnen indienen om hun werktijden te wijzigen (bijvoorbeeld van 10.00 tot 14.00 uur in plaats van 08.00 tot 12.00 uur) of om op een andere plek te werken (bijvoorbeeld thuis).

Een zwaarwegend bedrijfsbelang is niet nodig voor afwijzing

In het bericht ‘De Tweede Kamer is voor flexibel werken’ kon u eerder lezen dat u een verzoek om op andere tijden te werken alleen kunt afwijzen als u hiervoor een zwaarwegend bedrijfsbelang heeft. Voor het afwijzen van een verzoek om op een andere plaats te werken heeft u geen zwaarwegend bedrijfsbelang nodig, maar u moet dit wel kunnen motiveren. Alleen aangeven dat het binnen uw organisatie ‘nou eenmaal ongebruikelijk is om thuis te werken’ is in dat geval onvoldoende.

De Wet flexibel werken moet nog langs de minsterraad

De Wet flexibel werken geldt alleen voor organisaties die meer dan tien werknemers in dienst hebben. Een medewerker moet minstens een half jaar in dienst zijn om zo’n verzoek in te kunnen dienen. Omdat het gaat om een initiatiefwetsvoorstel moet de wet na goedkeuring door de Tweede en Eerste Kamer nog wel langs de ministerraad. Daarna zal duidelijk worden wanneer de maatregelen in werking treden.