Geen bijtelling voor vakantieritten dga

Een directeur-grootaandeelhouder (dga) die vanaf zijn vakantieadres met de auto van de zaak naar een zakenrelatie reed, hoefde deze ritten volgens Gerechtshof Den Haag niet aan te merken als privé. Daardoor was de opgelegde naheffingsaanslag loonbelasting vanwege de bijtelling onterecht.

7 februari 2013 | Door redactie

De dga beschikte over een auto van de zaak, die hij enkel zakelijk gebruikte. Hiervoor had hij begin 2008 een ‘Verklaring geen privégebruik auto’ ingediend bij de fiscus, waarna de dga de bijtelling voor het privégebruik achterwege mocht laten. De verklaring gold voor onbepaalde duur. Tijdens zijn vakantie werd de dga door een zakenrelatie gebeld om af te spreken voor contractonderhandelingen. Hij had zijn auto van de zaak echter niet tot zijn beschikking en vroeg daarom een vriend om deze naar het vakantieadres te rijden. Vervolgens was de dga naar huis gegaan om een pak aan te trekken, waarna hij naar de zakelijke afspraak reed om na afloop weer met de auto terug naar zijn vakantieadres te rijden. 

De ritten hadden een zakelijk karakter

Volgens de inspecteur waren al deze ritten privé, waardoor de dga uiteindelijk in 2009 meer dan 500 kilometer privé had gereden en dus bijtelling moest betalen. De inspecteur legde hem daarnaast een naheffingsaanslag en een boete op. De dga ging hierop in hoger beroep, waarna het gerechtshof de ritten beoordeelde als zakelijke ritten. De dga had deze ritten immers gemaakt vanwege de afspraak met een zakenrelatie. Daardoor bleef het aantal privékilometers van dat jaar steken onder de grens van 500 kilometer. Het gerechtshof vernietigde dan ook de naheffingsaanslag en de boete.
Gerechtshof ’s-Gravenhage, 28 november 2012, LJN: BZ0320