Moment van inschrijving wordt bepalend voor bpm

Het tijdstip waarop de belasting op personenauto’s en motorrijwielen (bpm) wordt bepaald, is nu nog het moment van registratie van een motorrijtuig in het kentekenregister, en dan van zowel de inschrijving als de tenaamstelling. In de praktijk zit hier tijd tussen. Het voorstel van het kabinet is om het belastbare moment te vervroegen, blijkt uit het Belastingplan 2021.

15 september 2020 | Door redactie

Hoewel in de Wegenverkeerswet 1994 het uitgangspunt is dat inschrijving en tenaamstelling gelijktijdig van een personenauto of motor moeten plaatsvinden, kunnen tussen het moment van inschrijving en dat van de tenaamstelling enkele dagen, weken of (soms) maanden zitten. Dat maakt het vaststellen van de bpm ingewikkeld. De hoofdregel is namelijk dat de betaling en aangifte worden gedaan voordat het voertuig is ingeschreven in het kentekenregister. Aan de andere kant is de staat van het voertuig op het moment van de tenaamstelling bepalend voor de hoogte van de verschuldigde bpm.

Moment van inschrijving wordt bepalend voor de bpm

Het nieuwe wetsvoorstel is om het moment waarop de hoogte van de verschuldigde bpm wordt vastgesteld te vervroegen. Het uitgangspunt moet de inschrijving van het motorrijtuig in het kentekenregister zijn. Dat is het tijdstip waarop de RDW de identiteit van het voertuig in het kader van de aanvraag om inschrijving in het kentekenregister onderzoekt.

Voordelen van de vervroeging

Vooral voor de import én export van voertuigen zal dit wetsvoorstel beter uitpakken. Bij inkoop op de binnenlandse markt betaalt de ondernemer (bijvoorbeeld de dealer) aan de verkoper een prijs inclusief de nog op het motorrijtuig drukkende bpm. De bpm is in de inkoopprijs meegenomen. Wie hetzelfde voertuig uit het buitenland importeert, is pas bpm verschuldigd als het op naam wordt gesteld van de klant. In de tijd die daartussen zit, veroudert het en dat geeft recht op extra leeftijdskorting voor de bpm. Bij tenaamstelling na import is daardoor minder bpm verschuldigd dan de bpm die op hetzelfde motorrijtuig in de inkoopprijs is verdisconteerd op de binnenlandse markt. Deze ongelijkheid vervalt bij het vervroegen van het beslissen over het verschuldigde bpm-bedrag naar het moment van het onderzoek bij de inschrijving door de RDW. Dit moet ook leiden tot minder bezwaarschriften tegen de eerdere eigen aangifte en beter toezicht door de inspecteur, die er ook vroeger bij betrokken zal zijn. Verder verduidelijkt het wetsvoorstel de heffingsgrondslag op basis van de CO2-uitstoot die bij de inschrijving door de RDW in het kentekenregister is vastgelegd.

Wet gaat per 1 juli 2021 in

Dit wetsvoorstel vraagt wel om enige aanpassingen in de systemen van de Belastingdienst en de RDW. Het streven is om de wet in werking te laten treden per 1 juli 2021, met een uitloop naar 1 januari 2022.