Vergeet de adressen niet in rittenadministratie!

Om te voorkomen dat u of een werknemer bijtelling betaalt voor het gebruik van de auto van de zaak, is het nodig om ook begin- en eindadressen te noteren in de rittenregistratie. Alleen dan is er sprake van sluitend bewijs dat er niet meer dan vijfhonderd kilometer privé is gereden met de auto van de zaak, aldus Gerechtshof Den Haag.

30 juli 2015 | Door redactie

Stelt u een auto van de zaak ter beschikking aan een werknemer of rijdt u zelf in een auto van de zaak, dan moet u rekening houden met een bijtelling. Deze bijtelling kan achterwege blijven als u of de werknemer niet meer dan vijfhonderd privékilometers per jaar maakt. Een sluitende rittenregistratie is dan wel vereist. In deze zaak ging het om een directeur-grootaandeelhouder (dga) die voor zijn werkzaamheden een auto van de zaak kreeg. In 2012 startte de Belastingdienst een boekenonderzoek. Uit het boekenonderzoek bleek dat de rittenregistratie van de dga niet voldeed aan de vereisten. De inspecteur concludeerde op basis daarvan dat de bijtelling ten onrechte achterwege was gebleven en corrigeerde dat met naheffingsaanslagen over de periodes 2009 tot en met 2011. 

Afwijkingen in bijgehouden ritten

Het gerechtshof volgde de conclusie van de inspecteur. De rittenregistratie was onvoldoende bewijs, omdat de adressen van de bestemmingen ontbraken. Daarnaast bleek uit de rittenregistratie dat het woon-werkverkeer varieerde van 15 tot 30 kilometer. Dit kwam niet overeen met de routeplanner van de ANWB. Daaruit bleek namelijk dat de snelste route 13 kilometer was, de kortste route 11,8 kilometer en de route zonder snelwegen 13,2 kilometer. De verantwoorde kilometers in de rittenregistratie weken daar dus behoorlijk vanaf. Het gerechtshof stelde daarom dat de dga geen sluitende rittenregistratie had bijgehouden. De rittenregistratie kon daardoor niet dienen als bewijs dat hij de auto voor niet meer dan vijfhonderd kilometer privé had gebruikt. De naheffingsaanslagen bleven dus in stand. 
Gerechtshof Den Haag, 3 juni 2015, ECLI (verkort): 1470