VERDIEPINGSARTIKEL

De rol van de bedrijfsarts bij preventie

Preventie is een breed en veelgebruikt begrip. Wilt u aan de slag met een preventiebeleid in uw organisatie, dan moet u weten hoe de bedrijfsarts u hierbij kan ondersteunen. Door preventief te werk te gaan, probeert u de gezondheid van de werknemers te beschermen en te bevorderen. In dit hoofdstuk komen een aantal aandachtsgebieden bij preventie aan bod, zoals het open spreekuur, bevorderen van een gezonde leefstijl, preventief medisch onderzoek en de arbobeleidscyclus.


8 oktober 2021 8 minuten Door redactie

Dit verdiepingsartikel wordt u aangeboden door Rendement Online


Volgens het Loket Gezond Leven van het RIVM kan preventie op verschillende manieren worden ingedeeld. Bijvoorbeeld naar:

  • doelgroep: bijvoorbeeld het risicomanagement op hart- en vaatziekten bij mensen met een verhoogd risico;
  • fasen in een ziekte:
    • primair: alle activiteiten die voorkómen dat gezonde mensen een gezondheidsprobleem, ziekte of ongeval krijgen.
    • secundair: vroegtijdige opsporing van ziekte of afwijkingen bij zieken of mensen met een verhoogd risico.
    • tertiaire preventie: voorkomen dat een ziekte verergert.
  • doel:
    • ziektepreventie, het voorkomen van specifieke ziekten of het vroegtijdig opsporen ervan.
    • gezondheidsbevordering: een gezonde sociale en fysieke omgeving en leefstijl bevorderen.
    • gezondheidsbescherming: alle activiteiten die werknemers tegen gezondheidsbedreigende factoren beschermen, zoals blootstelling aan gevaarlijke stoffen.
  • vier pijlers van een integrale aanpak: (1) voorlichting en educatie, (2) signalering, advies en ondersteuning, (3) fysieke en sociale omgeving, (4) regelgeving en handhaving. Een effectief beleid heeft een mix van deze pijlers. Denk aan het voorkómen van beroepsziekten.

De bedrijfsarts heeft met meerdere van deze vormen van preventie te maken of past ze toe.

Preventie van ziekte door werk: open spreekuur

De werkgever moet ervoor zorgen dat de werknemer de bedrijfsarts kan bezoeken als deze vragen heeft over zijn gezondheid in relatie tot het werk, ook als hij nog niet verzuimt of nog geen klachten heeft.

Het doel is ziektepreventie (of behoud van inzetbaarheid): klachten en verzuim door factoren op het werk voorkomen. De werkgever is wettelijk verplicht om dit open spreekuur (ook arbeidsomstandighedenspreekuur genoemd) mogelijk te maken. Zorg ervoor dat de drempel voor de werknemer zo laag mogelijk is door het spreekuur in de organisatie te houden.

Het open spreekuur is vergelijkbaar met dat van een huisarts. Alles wat een werknemer ter sprake brengt, blijft tussen de bedrijfsarts en hemzelf. Als er sprake is van ziekteverzuim, moet de bedrijfsarts zijn advies over de inzetbaarheid wel rapporteren.

Dat geldt niet voor het open spreekuur, tenzij de bedrijfsarts en werknemer samen besluiten tot een advies aan de werkgever. De bedrijfsarts vraagt de werknemer daar expliciet toestemming voor. Ook in de nota die de bedrijfsarts naar de werkgever stuurt voor het open spreekuur blijven de werknemers anoniem.

Second opinion in open spreekuur

De werknemer kan het open spreekuur ook met een ander doel bezoeken. Bijvoorbeeld voor een second opinion over het advies van een andere arts, zeker als dit advies de inzetbaarheid van de werknemer beperkt. Denk aan gebruik van bepaalde medicijnen die niet verenigbaar zijn met het werk, zoals medicijnen die de rijvaardigheid of alertheid beïnvloeden. 

 

De werknemer kan dan advies vragen aan de bedrijfsarts. Soms passen andere medicijnen, met hetzelfde doel, wel bij de taken of werkomstandigheden van de werknemer. 

Arbobeleidscyclus: van RI&E naar actie naar RI&E

Bij preventie draait het om de arbobeleidscyclus. Het doel van de arbobeleidscyclus is: gezondheidsbescherming. De gedachte achter de Arbowet is dat zowel werkgever als werknemer verantwoordelijkheid heeft bij het arbobeleid.

De eerste stap in de arbobeleidscyclus is dan ook dat werkgever en werknemer samen beslissen (de intentie hebben) dat de risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) (toolbox) wordt uitgevoerd, hoe dit gebeurt en dat de maatregelen worden opgevolgd.

Het werk kan bepaalde risico’s met zich meebrengen. Deze risico’s brengt u in kaart (de risico-inventarisatie). Daarna worden ze beoordeeld, bijvoorbeeld door ze te vergelijken met normen die voor deze risico’s gelden (de risico-evaluatie).

Sommige normen, bijvoorbeeld voor geluid, liggen wettelijk vast. Andere normen staan in de arbocatalogus. Het gaat hier om onderlinge afspraken binnen bedrijfstakken of tussen werkgever en werknemers in de organisatie.

1. RI&E is verplicht

Iedere organisatie is wettelijk verplicht om een RI&E op te stellen. Uit de Arbobalans 2020 blijkt echter dat slechts 52% van de organisaties een RI&E heeft. Bij een deel daarvan is deze onvolledig. Van organisaties met meer dan 250 werknemers had 92% een RI&E; bij twee tot negen werknemers was dat 40%. Nederland heeft veel kleine organisaties.

De volgende stap in de arbobeleidscyclus is het opstellen van maatregelen tegen de risico’s in het plan van aanpak dat bij de RI&E hoort. Welke maatregelen nodig zijn, is afhankelijk van de evaluatie van de risico’s.

Er is onderscheid in maatregelen die direct moeten worden uitgevoerd (voldoen aan de wet), dringend gewenst zijn (groot risico op ziekte of ongeval) en die op een later moment kunnen.

Het is niet te doen om alle verbeterpunten in één keer door te voeren

Het is niet te doen om alle verbeterpunten in één keer door te voeren. Als arboprofessional houdt u goed in de gaten of alle maatregelen zijn uitgevoerd. Zo niet, dan blijven ze als risico op de lijst staan en moeten ze op een later moment aan bod komen.

Vaak blijkt de RI&E een papieren tijger. Een externe dienst (een arbodienst of een kerndeskundige) stelt hem meestal op, laat hem ook door een gecertificeerde andere kerndeskundige beoordelen en vervolgens verdwijnt hij weer in de kast.

De RI&E komt er pas weer uit als Inspectie SZW langskomt of er een incident gebeurt. Dat ziet u als arboprofessional liever niet gebeuren. Zorg er daarom voor dat u als preventiemedewerker of arbocoördinator betrokken blijft bij het opstellen van de RI&E en de naleving ervan. 

U kunt het verschil maken door een ‘levende RI&E’ op te stellen. Dat houdt in dat u alle verbeterpunten (het plan van aanpak van de RI&E) op een lijst plaatst. Deze lijst vult u telkens aan met nieuwe gegevens (een onderzoek, een incident, of een (bijna-)ongeval). Per item legt u vast wie verantwoordelijk is voor de uitvoering van de maatregel, op welke termijn en hoe u de voortgang bewaakt. Een maandelijkse bijeenkomst van de RI&E-werkgroep zorgt voor het up-to-date houden van de lijst.

2. Breder arbobeleid

Bovenstaande werkwijze heeft alleen betrekking op de risico’s zoals die in een RI&E zijn vastgesteld en doorlopend actueel zijn gemaakt. Het arbobeleid gaat echter over veel meer dan alleen de RI&E. Zo is de werkgever verplicht om ook arbobeleid te voeren op zaken als veiligheid, omgaan met gevaarlijke stoffen, bedrijfshulpverlening, voorlichting en ziekteverzuim. Al met al een hele waslijst. 

Het is slim om jaarlijks een beperkt aantal doelstellingen voor het arbobeleid op te stellen en deze bijvoorbeeld in te delen naar ‘gezondheid’, ‘veiligheid’, ‘gezondheidsbevordering’ en ‘overige’.

Wijs ook iemand aan om de doelstellingen in de gaten te houden. U bent daar als arboprofessional zeker geschikt voor. Dit kan dus een taak zijn voor de preventiemedewerker of de arboprofessional die verantwoordelijk is voor het bewaken van de voortgang van de doelstellingen uit de RI&E. U rapporteert periodiek aan de werkgever en de werknemersvertegenwoordiging. Maak de bedrijfsarts of een andere kerndeskundige medeverantwoordelijk voor de voortgang.

Preventie van ziekte op het werk: leefstijl

Een heel andere vorm van preventie – en één die de laatste jaren steeds belangrijker is geworden – is gezondheidsbevordering. Dit valt onder het vitaliteitsbeleid. Het bevorderen van een gezonde leefstijl is een onderdeel van preventie.

Bedrijfsartsen hebben deze factoren samengevat met de term BRAVO

Bedrijfsartsen hebben deze factoren samengevat met de term BRAVO: bewegen, roken, alcohol, voeding en ontspanning. Ieder van deze leefstijlfactoren heeft invloed op de vitaliteit en daarmee op de duurzame inzetbaarheid van werknemers.

Maar er zijn meer factoren die de duurzame inzetbaarheid bepalen, zoals het goed opgeleid zijn voor het werk of een goede match tussen de werknemer en zijn werk.

Organisaties zien de effecten van een ongezonde leefstijl terug in de vorm van verminderde productiviteit en ziekteverzuim. Werkgevers zijn daarom bereid om te investeren in een gezonde leefstijl.

De Arbobalans 2020 vermeldt dat in 2019 13,1% van de organisaties (46% van de werknemers) de afgelopen twee jaar nieuwe maatregelen heeft genomen om een gezonde leefstijl te bevorderen. Het zijn wel vooral de grotere organisaties die hierin investeren.

Interessant is het verschil in organisaties met of zonder een RI&E

Interessant is het verschil in organisaties met of zonder een RI&E. Dan blijkt dat organisaties met een RI&E veel meer maatregelen nemen voor een gezonde leefstijl: 16,4% tegenover 9,6%.

Primaire preventie en vitaliteitsbeleid combineren

Primaire preventie en het bevorderen van de leefstijl gaan goed samen. Uit de Arbobalans blijkt bijvoorbeeld dat van de laagopgeleide mannen tussen 25 en 45 jaar meer dan de helft rookt. Vaak gaat een laag opleidingsniveau gepaard met werk met meer blootstelling aan gevaarlijke stoffen.

 

Uit onderzoek is bekend dat de combinatie van roken en blootstelling aan bepaalde stoffen (silicastof) een significant hoger risico geeft op het ontwikkelen van longkanker. Ieder van deze factoren apart levert al een verhoogd risico op.

 

Er is dus alle reden om beide risicofactoren tegelijk aan te pakken door bewustwording, gerichte maatregelen om stofblootstelling te reduceren en stoppen-met-roken-interventies aan te bieden. 

De rol van het PMO/PAGO bij preventie

Belangrijke instrumenten van de bedrijfsarts zijn het preventief medisch onderzoek (PMO) en het periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek (PAGO) (verdiepingsartikel). Hiermee bewaakt en bevordert de organisatie de gezondheid en inzetbaarheid van individuele werknemers. Zij bestaan uit een medisch onderzoek, een feedbackgesprek met de bedrijfsarts en adviezen en maatregelen om de gezondheid en inzetbaarheid te behouden of te verbeteren.

PMO versus PAGO

Het periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek (PAGO) en het preventief medisch onderzoek (PMO) worden nogal eens met elkaar verward.

 

Het PAGO is alleen gericht op de werkgerelateerde gezondheidsrisico’s. Voor het PMO wordt ook gekeken naar de algehele lichamelijke en geestelijke gezondheid en de leefgewoonten van de werknemer (roken, alcohol, voeding, bewegen enzovoorts).

 

Werkgevers zijn wel verplicht een PAGO aan te bieden, maar voor een PMO geldt geen wettelijke verplichting. Voor beide onderzoeken geldt dat de werknemer niet verplicht is ze te ondergaan. Let op: soms kiest een werkgever op basis van prijs een goedkoper PMO, niet wetende dat er geen PAGO-elementen inzitten. Hij voldoet dan niet aan zijn wettelijke verplichtingen!

 

Verplicht

Soms is een werknemer wél verplicht een PAGO te ondergaan omdat het in de wet of cao is geregeld. In de verkeerswetgeving zijn beroepschauffeurs bijvoorbeeld verplicht om regelmatig het gezichtsvermogen te laten onderzoeken. Het PAGO wordt uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van de bedrijfsarts.

In termen van preventie is het PMO zowel gericht op primaire preventie, ziektepreventie, gezondheidsbevordering als op gezondheidsbescherming. Afhankelijk van de omstandigheden kan een bepaald doel prioriteit krijgen. De werkgever moet daar dus over nadenken voordat hij een PMO aanbiedt aan werknemers.

Artikel 18 uit de Arbowet biedt slechts een aanknopingspunt voor dit doel door aan te geven dat het erop is gericht om ‘de risico’s die de arbeid voor de gezondheid van de werknemers met zich brengt zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken’.

Het PMO kan zowel het beginpunt als het sluitstuk zijn van het arbobeleid

Het PMO kan zowel het beginpunt als het sluitstuk zijn van het arbobeleid. In een organisatie waar veel signalen van werkdruk zijn, kunt u bijvoorbeeld met een vragenlijst (beginpunt) aard en omvang van het probleem vaststellen en aanvullen met een nagesprek met de bedrijfsarts. Het nagesprek is de afronding van het beleid.

Een ander voorbeeld: de werkgever moet het werk zo inrichten dat werknemers geen schade ondervinden van lawaai op de werkvloer. De schade bestaat uit doofheid. Om die schade te voorkomen, kunt u de geluidsbron inkapselen, de duur van de blootstelling verkorten of gehoorbescherming inzetten.

Dit laatste mag alleen als de twee andere oplossingen onhaalbaar of ineffectief zijn. U kunt de effectiviteit laten beoordelen door eventuele schade aan het gehoor van werknemers te meten. De gehoormeting is dan het sluitstuk van uw beleid.

Samenwerking met de huisarts en anderen

Werknemers bezoeken bij gezondheidsklachten vaak als eerste hun huisarts. Dat geldt ook als het gaat om klachten die samenhangen met of veroorzaakt worden door het werk.

De bedrijfsarts heeft met het PMO een instrument in handen om klachten in een vroeg stadium op te sporen, maar lang niet iedere werknemer doet mee met een PMO. Dat maakt het voor de bedrijfsarts lastig om werkgerelateerde gezondheidsklachten op het spoor te komen voordat ze tot ziekte hebben geleid.

Dat geldt voor allerlei klachten van het bewegingsapparaat, van de huid, de luchtwegen, maar ook voor psychische klachten, zoals overspannenheid.

Bedrijfsartsen pleiten al jaren voor een betere samenwerking tussen bedrijfsartsen en behandelend artsen. Een belangrijke stap voorwaarts is dat behandelend artsen beseffen dat werk een belangrijke factor is bij het ontstaan van ziekte, maar ook voor het behoud van gezondheid.

In steeds meer behandelrichtlijnen voor huisartsen en specialisten is een paragraaf over werk opgenomen. Het gevolg is dat zij in hun contact met de patiënt ook steeds vaker het werk dat iemand doet laten meewegen.

Sinds kort hebben huisartsen en bedrijfsartsen afspraken over het afstemmen van de behandeling door middel van een informatie-uitwisselingsprogramma Zorgdomein. Daarvoor moet de werknemer wel uitdrukkelijk toestemming geven.

Bedrijfsartsen werken ook samen met fysiotherapeuten en psychologen. Deze verwijzingsmogelijkheid leidt tot snelle en gespecialiseerde behandeling van werkgerelateerde gezondheidsproblemen. De bedrijfsarts kan de bevindingen bij deze behandelingen weer inzetten voor preventie.