Belastingteruggave afgesplitste bv blijft overeind

Voor ondernemingen die activiteiten en onroerend goed afsplitsen gelden bijzondere belastingregels. Een onderneming die kan aantonen dat de afsplitsing 'zakelijk' is, kan een vrijstelling krijgen. De Hoge Raad liet om die reden een fikse teruggave van overdrachtsbelasting in stand.

16 september 2019 | Door redactie

Het Nederlandse belastingstelsel heeft twee ‘splitsingsvrijstellingen’: één in de overdrachtsbelasting en één in de vennootschapsbelasting. Belangrijkste voorwaarde om in aanmerking te komen voor die vrijstelling is dat de afsplitsing ‘zakelijke’ gronden heeft. Bijvoorbeeld dat de activiteiten niet meer passen in de bedrijfsstrategie.

Overdrachtsbelasting voor verkoop onroerend goed

De wet gaat ervan uit dat er in principe geen zakelijke motieven waren als het afgesplitste deel binnen drie jaar wordt verkocht. Het is dan aan de ‘afsplitser’ om aan te tonen dat de transactie wél zakelijk was.
In deze zaak draaide het om de afsplitsing en verkoop van onroerend goed, waaronder een aantal tankstations. Die activiteiten werden in een nieuwe bv ondergebracht, en de aandelen in die nieuwe bv werden verkocht aan een andere onderneming. De nieuwe bv werd op 17 november 2015 opgericht, en een dag later gingen de aandelen over naar de koper. Voor het verkochte onroerend goed moest de afgesplitste bv ruim € 1,8 miljoen aan  overdrachtsbelasting betalen. Dat bedrag werd betaald, maar de bv ging ook in bezwaar en later in beroep, met een beroep op de splitsingsvrijstelling. De inspecteur vond namelijk dat de overdrachtsbelasting terecht was geheven.

Zakelijke gronden voor transactie, vindt hof

Maar het gerechtshof kwam eerder al tot een andere conclusie. Ook als de verkoop binnen een termijn van drie jaar plaatsvindt, moet de onderneming de kans krijgen om aan te tonen dat er vooral zakelijke motieven waren voor de transactie. Het hof vond dat de onderneming daarin geslaagd was, en daarom kreeg de onderneming de € 1,8 miljoen aan overdrachtsbelasting terug.
De staatssecretaris van Financiën ging daarop in cassatie bij de Hoge Raad. Maar het hoogste rechtscollege kwam tot dezelfde conclusie als het hof. Als de verkoop binnen drie jaar na de afsplitsing plaatsvindt, moet de onderneming de kans krijgen om aan te tonen dat de transactie tóch zakelijk was. Ook als de onderneming ten tijde van de afsplitsing al van plan was om de activiteiten te verkopen, kan de onderneming dus in aanmerking komen voor de vrijstelling. De belastingteruggave bleef dus overeind.
Hoge Raad, 13 september 2019, ECLI (verkort): 1297