VERDIEPINGSARTIKEL

Wat mag fiscus als bewijsmiddel gebruiken?

De belastingwet geeft de Belastingdienst een heleboel mogelijkheden om informatie over u te vergaren. Hiermee hoopt hij dan aan te kunnen tonen dat u fiscaal iets niet juist heeft gedaan. Een navordering of naheffing (afhankelijk van de soort belasting) en wellicht ook een boete zullen dan volgen.

Maar hoe ver kan de fiscus nu gaan met het verzamelen van bewijs en mag hij het dan ook altijd gebruiken om aan te tonen dat u fraude heeft gepleegd?


30 december 2019 5 minuten Door redactie

Dit verdiepingsartikel wordt u aangeboden door Rendement online.


In de diverse belastingwetten zijn bepalingen opgenomen die het voor de fiscus mogelijk maken om informatie bij u op te vragen. Dit mag hij echter niet alleen vragen bij de belastingplichtige zelf, maar ook bij andere partijen: een derdenonderzoek. De enige beperking voor het opvragen van gegevens is dat deze wel relevant moeten zijn voor de belastingheffing.

Fraude

In het algemeen hanteert de fiscus meerdere vormen van bewijs, als hij u beschuldigt van fiscale fraude. Denk aan verklaringen van derden, gegevens uit de administraties van uw leveranciers en afnemers, financiële geldstromen, branchecijfers en dergelijke.

Maar moet een derde altijd meewerken aan een verzoek van de fiscus? Zo’n derde kan bijvoorbeeld vinden dat het geven van de informatie een te grote inbreuk op de privacy van de belastingplichtige maakt en hem daarom de gevraagde informatie niet wil verstrekken.

Over die te grote inbreuk op de privacy heeft de rechter onlangs wat duidelijkheid geschapen. In deze zaak vroeg de Belastingdienst de gebruiksgegevens van een museumkaarthouder op om vast te kunnen stellen of diegene in Nederland verbleef in plaats van in het buitenland. En dus ook hier belastingplichtig was.

Maar de Stichting Museumkaart wilde die gegevens niet verstrekken. Dat zou een veel te grote inbreuk maken op de privacy van de kaarthouder vond de Stichting. De stichting verwees daarbij naar een arrest van de Hoge Raad, waar de overheid een fikse tik op de vingers kreeg vanwege het gebruik van snelwegcamera’s voor belastingcontrole (zie kader hieronder).

Informatiebeschikking om u te beschermen

De wet geeft de Belastingdienst een grote mate van vrijheid bij het vragen om informatie. Om te voorkomen dat u door het vragen van (onredelijke) informatie in een andere bewijspositie kunt worden gebracht, is de informatiebeschikking ingevoerd.

Als u vindt dat de door de inspecteur gevraagde informatie onredelijk is en weigert om die informatie te geven, zal de inspecteur een informatiebeschikking afgeven. Zolang de beschikking nog niet onherroepelijk vaststaat, krijgt u niet te maken met de omkering van de bewijslast.

Woonplaats

Bovendien vond de stichting dat de bezoekgegevens niet erg relevant waren voor het vaststellen van iemands woonplaats. Ook verwees de stichting naar de privacyregels van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).

Ruim

De rechtbank oordeelde eerder al dat het snelwegarrest niet van toepassing was omdat het in deze zaak ging om een individueel geval en dus niet een heleboel belastingplichtigen. Daarnaast vond de rechter dat het algemene belang van juiste belastingheffing zwaarder moest wegen dan de privacy van de kaarthouder. Dus moest de stichting de gegevens verstrekken.

Ook in hoger beroep heeft de stichting haar gelijk niet kunnen halen. Het gerechtshof stelde dat de bevoegdheid van de fiscus om inlichtingen te vragen in het kader van een derdenonderzoek zeer ruim was.

Die bevoegdheid van de fiscus wordt echter wel beperkt als de vragen om informatie de activiteiten van de stichting in gevaar brengen. Maar het hof vond dat de stichting niet met duidelijke bewijzen was gekomen waaruit dit gevaar zou blijken. Het hoger beroep ging dus van tafel en de stichting moest dus de gegevens verstrekken.
(Gerechtshof Amsterdam, 5 november 2019), ECLI (verkort): 3967.

Gebruik camerabeelden door fiscus verboden voor controle rittenregistratie

In de zaken waar de fiscus beelden als bewijs had aangedragen voor het feit dat de rittenregistraties niet klopten ging het om werknemers die in een auto van de zaak reden. Zij verstrekten jaarlijks aan de fiscus een rittenregistratie waaruit bleek dat ze qua privégebruik onder de vijfhonderd kilometer bleven.

De inspecteur legde naheffingsaanslagen op omdat uit camerabeelden van het Korps Landelijke Politiediensten naar voren kwam dat de auto’s waren gezien op plaatsen die niet overeenkwamen met de rittenregistratie. De Hoge Raad vond echter dat de Belastingdienst met deze controle te veel inbreuk had gemaakt op het privéleven van de chauffeurs.

Strijd

In de Nederlandse wet is geen grondslag opgenomen om deze beelden voor belastingdoeleinden te gebruiken. Hierdoor handelde de fiscus in strijd met het EVRM. Het ging hier namelijk om het systematisch verzamelen, vastleggen, bewerken en jarenlang bewaren van gegevens en dat was en is wettelijk dus niet toegestaan.

De Belastingdienst had ook foto’s van verkeersovertredingen aangevoerd als bewijs in twee van de zaken. De Hoge Raad verwees deze zaken daarom naar een hof. Dit moet nu gaan aangeven of de rittenregistratie klopte en dus alleen aan de hand van het bewijs van de verkeersovertredingen. 
(Hoge Raad, 24 februari 2017, ECLI (verkort): 286, 287 en 288).

Deugdelijk

Naast de discussie dat het opvragen van informatie de rechten van de belastingplichtige kan schaden is het ook wel eens de vraag of er sprake is van bewijs dat gebruikt mag worden. Is er sprake van deugdelijk bewijs, dan gaat het om legaal en wettig verkregen bewijs. Ook moet de Belastingdienst aantonen dat u schuldig bent aan hetgeen u ten laste is gelegd. Het bewijs moet overtuigend zijn.

Onrechtmatig

De inspecteur kan de aanslag echter ook hebben gebaseerd op onrechtmatig verkregen bewijs. Dit bewijs is dan op een niet legale wijze verkregen. Hierbij moet u bijvoorbeeld denken een niet-toegestane opsporingsmethoden (afluisteren, huiszoeking, gestolen bewijs) waarvoor juridisch geen toestemming is verleend.

De fiscale wetgeving bevat geen algemene bepaling die het gebruik verbiedt van onrechtmatig verkregen bewijs voor het vaststellen van een belastingschuld en als er gronden aanwezig zijn, voor het opleggen van een verhoging of een boete. Het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs moet dus iedere keer weer worden getoetst aan de beginselen van behoorlijk bestuur en het recht op een eerlijk proces.

Tipgever

In de zogenoemde tipgeverszaak heeft de Hoge Raad geoordeeld dat wat er in het strafrecht over het bewijs wordt gezegd niet het uitgangspunt moet zijn voor de geldigheid van het bewijs. De belastingrechter moet zelfstandig een oordeel vellen over het bewijs.

Het ging hier om de erfgenamen van een vermeende zwartspaarder die navorderingsaanslagen ontvingen omdat volgens de Belastingdienst de erflater over rekeningen in Luxemburg beschikte die nooit voor de belasting waren aangegeven. De fiscus had deze informatie gebaseerd op door een ex-medewerker van de betreffende bank gestolen gegevens. Deze zogenoemde tipgever was ook voor deze informatie door de fiscus betaald.

Heling

Het hof vond het bewijs ontoelaatbaar omdat de tipgever bij het verkrijgen van het bewijsmateriaal strafbare feiten had gepleegd, en daarvoor ook nog werd betaald door de fiscus, terwijl de Belastingdienst van de diefstal wist of dit had moeten vermoeden.

Door de tipgever te betalen voor de verduisterde informatie, had de fiscus zich schuldig gemaakt aan een vorm van heling. De staatssecretaris van Financiën vond echter dat het bewijsmateriaal niet uitgesloten mocht worden en besloot in cassatie te gaan.

Zelfstandig

De Hoge Raad gaf aan dat de belastingrechter zelfstandig moet oordelen over de bruikbaarheid van het bewijsmateriaal en dat daarvoor geen rekening hoefde te worden gehouden met wat er in een eventuele strafzaak zou worden gezegd.

Voor het oordeel over de bruikbaarheid van het door de tipgever aangeleverde bewijs was geen onderzoek nodig naar de aard of ernst van het strafbaar handelen van de tipgever. Het cassatieberoep werd gegrond verklaard en de zaak verwezen naar Hof Amsterdam.
(Hoge Raad, 8 november 2019, ECLI (verkort): 1715).

Omstandigheden

Uit de rechtspraak over het gebruik van bewijs blijkt dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur vaak een grote rol spelen. Deze kunnen de inspecteur dus beperken in het gebruik van het bewijs.