Bestuurder ‘op het randje’, maar is niet aansprakelijk

Een bestuurder die in het zicht van een faillissement nog allerlei verplichtingen aangaat kan persoonlijk aansprakelijk worden gesteld voor de schade. In een recente zaak vond het gerechtshof de handelingen ‘op het randje’. Maar toch hadden de schuldeisers te weinig aangevoerd om de bestuurder persoonlijk aansprakelijkheid te stellen.

22 februari 2021 | Door redactie

Op zich is alleen de bv aansprakelijk voor haar handelingen. Gaat de onderneming op de fles, dan moeten schuldeisers in de faillissementsprocedure hun geld zien terug te krijgen (tool). Maar als een bestuurder roekeloze besluiten neemt die het faillissement bespoedigen, dan moet mogelijk ook die bestuurder opdraaien voor de openstaande schulden.

‘Beklamel-norm’ bij bestuurdersaansprakelijkheid

Een bestuurder van een bv met dieprode cijfers die nog een contract afsluit om de komende acht jaar maandelijks een lading stenen af te nemen, zal sneller te maken krijgen met bestuurdersaansprakelijkheid. Maar meestal is het niet zo zwart-wit. Daarom is in de rechtspraak de zogeheten Beklamel-norm ontwikkeld (verdiepingsartikel). Een bestuurder kan pas aansprakelijk zijn als hij wist of ‘behoorde te begrijpen’ dat de onderneming niet aan haar verplichtingen kon voldoen en schuldeisers uiteindelijk ook niet zou kunnen terugbetalen (‘verhaal bieden’).
In deze zaak stonden een failliet bouwbedrijf en twee schuldeisers tegenover elkaar. De partijen werkten samen bij de bouw van een woning. De bouwer had op 12 januari 2018 een factuur gestuurd van een kleine € 14.000, voor voorbereidingskosten. De schuldeisers hadden de factuur op 18 januari betaald. Maar in de tussentijd, op 15 januari 2018, had de bank de rekening van het bouwbedrijf bevroren. Begin februari ging de onderneming failliet. Tussen het versturen van de factuur en het bevriezen van de rekening zaten dus maar een paar dagen. Daarom had de bestuurder moeten twijfelen of de onderneming haar verplichtingen wel zou kunnen nakomen. De schuldeisers stelden hem daarom aansprakelijk voor hun openstaande facturen.

Situatie onderneming ‘niet hopeloos’

Het gerechtshof moest uitmaken of de bestuurder bij het sturen van de factuur wist dat het bouwbedrijf op korte termijn haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen en dat de bv uiteindelijk geen verhaal zou bieden. Het hof vond dat het voor de eerste vraag ‘op het randje’ was. Want de factuur werd enkele dagen vóór het bevriezen van het krediet verstuurd. Op dat moment viel volgens het hof inderdaad wel te betwijfelen of de onderneming aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen. Maar tegelijkertijd was op dat moment de situatie ‘ernstig maar niet hopeloos’, concludeerde het hof. De bank had het krediet bevroren, maar nog niet opgezegd. En ook de Belastingdienst gaf de bv kennelijk nog een kans. Alles bij elkaar hoefde de bestuurder er niet vanuit te gaan dat de onderneming haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen. Voor de tweede vraag hadden de schuldeisers niets aangevoerd, dus dat was ook geen grond om de vordering toe te wijzen. Al met al was de bestuurder volgens het hof niet persoonlijk aansprakelijk.
Gerechtshof Amsterdam, 2 februari 2021, ECLI (verkort): 338