Doe voldoende onderzoek naar koper van uw bv

Als u de aandelen van uw bv verkoopt en de bv gaat kort daarna failliet, kunt u niet zomaar aansprakelijk gesteld worden. De feitelijke situatie op het moment van de verkoop is bepalend, maar ook of u toen al had kunnen voorzien dat de onderneming het niet zou redden. Dit heeft de Hoge Raad onlangs bepaald.

2 juli 2014 | Door redactie

In deze zaak draaide het om een dga wiens bv een bedrijfspand had. De bv verkocht het pand aan de echtgenote van de dga. Dit leverde de bv een flinke boekwinst op van € 429.744, die ze opzij zette in een herinvesteringsreserve (HIR). Bovendien nam de dga ook alle liquide middelen op. Dit leidde tot een rekening-courantschuld van € 375.740. Korte tijd later deed de dga zijn aandelen van de hand. De overeengekomen prijs voor de aandelen bedroeg € 375.740, precies het bedrag van de rekening-courantschuld. Bovendien kwamen ze overeen dat de dga gevrijwaard zou worden van alle fiscale verplichtingen, waaronder de eventuele vrijval van de herinvesteringsreserve (HIR).

Onbetaalde VPB-schuld niet te verhalen op verkoper

Op het moment van de verkoop van de aandelen was al duidelijk dat de HIR geen doel had. Ze moest daarom vrijvallen ten laste van de belastbare winst. De dga kreeg van de accountant van de kopende partij te horen dat dit geen probleem moest zijn: de kopende partij zou prima in staat zijn om de verschuldigde belasting op te brengen. Maar toen de bv failliet ging, stond er nog een stevige navorderingsaanslag open, waarin onder andere de belasting over de vrijgevallen HIR was opgenomen.

Verkoper had betalingsonmacht niet kunnen weten

Omdat de navorderingsaanslag onbetaald bleef, stelde de fiscus de verkopende dga hiervoor aansprakelijk. Volgens de inspecteur had de dga kunnen weten dat de bv onmogelijk in staat zou zijn om een navorderingsaanslag over de HIR te voldoen, aangezien de dga wist dat er geen bestemming voor de HIR was op het moment van de verkoop. De Hoge Raad was het hier niet mee eens. Die oordeelde dat de bv op het moment van verkoop voldoende vermogen had om de latente belastingschuld te voldoen. De fiscus zou de dga nog aansprakelijk kunnen stellen als de dga redelijkerwijs had kunnen weten dat de belastingschuld door het handelen van de koper onbetaald zou blijven. Ook hiervan was geen sprake, volgens de Hoge Raad had de dga terecht vertrouwd op het advies van de accountant. De dga had daarmee genoeg gedaan om de betrouwbaarheid van de koper te toetsen. De fiscus had de dga dus onterecht aansprakelijk gesteld voor de belastingschuld.
Hoge Raad, 27 juni 2014, ECLI (verkort): 1525