Onbehoorlijke bestuurder moet kunnen kiezen

Een bestuurder kan alleen 'kennelijk onbehoorlijk bestuur' worden aangerekend als die bestuurder zelf ook invloed had op het verloop van de betalingen. En dat is dus niet het geval als bijvoorbeeld een bank betalingen automatisch verrekent en de Belastingdienst daardoor met lege handen achter blijft. Dat heeft de Hoge Raad onlangs aangegeven.

10 april 2017 | Door redactie

In deze zaak draaide het om een bestuurder van een failliete bv die aansprakelijk werd gesteld voor niet-betaalde loonheffingen en BTW. De bv deed transportwerk voor een andere onderneming, maar die zegde het contract op. Daardoor ging de bv uiteindelijk op de fles.

BTW en loonheffingen onbetaald

De bv had een financiering van de Rabobank. Deze bank vestigde een pandrecht op de financiering en maakte daar later ook gebruik van. Na het afwikkelen van het faillissement was het krediet van de bank volledig afgelost, terwijl de Belastingdienst met een paar openstaande facturen voor de loonheffingen en BTW bleef zitten. De fiscus legde daarom naheffingsaanslagen op en stelde de bestuurder daar aansprakelijk voor. Ook vond de Belastingdienst dat de bv na een melding van betalingsonmacht (tool) óók op een later moment de fiscus nog had moeten informeren over de handelswijze van de bank.

Het gerechtshof in ’s-Hertogenbosch oordeelde eerder dat het aan kennelijk onbehoorlijk bestuur (tool) van de bestuurder te wijten was dat de belasting niet betaald was. De bestuurder had meer weerstand moeten bieden aan de druk van de bank om het krediet met voorrang af te lossen.

Bank verrekende betalingen meteen met krediet

De bestuurder voerde aan dat hij zelf helemaal geen invloed had gehad op de betalingen. De bank verrekende namelijk elke euro, die op de rekening van de bv binnenkwam, direct met het krediet. De Hoge Raad vond dan ook dat het niet aan de bestuurder te wijten was dat de belastingen niet betaald waren. Ook was de bestuurder niet gehouden om de fiscus nog eens extra te informeren, aldus de Hoge Raad.
Hoge Raad, 31 maart 2017, ECLI (verkort): 530