Dien een beroepschrift op de juiste manier in!

Als u een beroepschrift niet op de juiste manier indient, loopt u de kans dat het niet-ontvankelijk wordt verklaard. Onlangs oordeelde rechtbank Oost-Brabant dat de heffingsambtenaar een beroepschrift, dat via het e-mailadres van de algemene publieksvoorlichting binnenkwam, terecht niet in behandeling nam.

4 november 2015 | Door redactie

Bent u het niet eens met een uitspraak op bezwaar van de Belastingdienst, dan kunt u in beroep gaan bij de belastingrechter. In deze zaak ging het om een beroep tegen de aanslag onroerendezaakbelasting voor 2014. De man was het niet eens met deze aanslag en ging in beroep. Hij stuurde het beroepschrift op de laatste dag van de beroepstermijn om 23:37 per e-mail naar de algemene publieksvoorlichting van de rechtbank. Pas na het verstrijken van de beroepstermijn kreeg de rechtbank het schriftelijke beroepschrift. 

Gebruik het officiële digitale loket voor juridische procedures

De heffingsambtenaar vond het beroepschrift daardoor niet-ontvankelijk. De rechtbank stelde dat een beroepschrift alleen in behandeling kon worden genomen als de man het beroepschrift indiende via één van de webapplicaties van de rechtbank. De man mocht het e-mailadres van de algemene publieksvoorlichting niet gebruiken voor juridische procedures. Dat stond ook duidelijk vermeld op de website. Bij het uitleg over het digitaal beroep was dit ook niet als optie aangegeven. De man kreeg terecht geen herstelmogelijkheden, omdat hij geen gebruik maakte van het officiële digitale loket. Het schriftelijke beroepschrift was te laat en daardoor dus niet-ontvankelijk.   

Een beroepschrift moet aan de formele eisen voldoen

Het is dus erg belangrijk dat een beroepschrift aan de formele vereisten (tool) voldoet. Het beroepschrift moet dus binnen de termijn zijn en op een juiste wijze zijn ingediend. Bij het schriftelijk indienen van een beroepschrift (tool) kunt u de brief het beste ook aangetekend versturen. Tegenwoordig kunt u vaak ook digitaal een beroepschrift indienen.

Rechtbank Oost-Brabant, 28 september 2015, ECLI (verkort): 5556