Onderbouwing BTW-fraude schiet tekort

Een autohandelaar die een fikse naheffingsaanslag kreeg vanwege vermeende BTW-fraude, is nog langer gerechtelijk onder de pannen. Het gerechtshof vond eerder dat die naheffing terecht was. Maar de Hoge Raad vindt dat oordeel onvoldoende onderbouwd. Daarom moet nu een vierde gerechtshof met de zaak aan de slag.

28 januari 2020 | Door redactie

De zaak heeft al een aardige toer gemaakt door het Nederlandse rechtstelsel. De Hoge Raad heeft het geschil namelijk ook al in 2015 én in 2017 behandeld. En nu dus opnieuw.

Onderzoek van fiscale opsporingsdienst FIOD

Kort gezegd draaide het in deze zaak om een autohandelaar, die bij zijn aangifte (e-learning) de BTW op 512 auto’s in aftrek had gebracht. Die BTW-aftrek (tool) was onderbouwd met facturen van een onderneming waar de auto’s waren gekocht. De autohandelaar stelde dat hij die auto’s weer had geleverd aan de uiteindelijke afnemers.
De inspecteur was niet overtuigd en kwam met een naheffingsaanslag voor de BTW van ruim € 2,3 miljoen. Tegen die naheffing – uit 2011 – had de handelaar bezwaar gemaakt en vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank.
In het dossier van de zaak zit ook een onderzoek van de fiscale opsporingsdienst FIOD naar de constructie. Uit het rapport van die dienst steeg het beeld op dat er in deze zaak een keten van ondernemingen was opgezet om fiscaal voordeel te halen.

Hof oordeelt dat bv geen debiteurenrisico loopt

Na twee verwijzingen door de Hoge Raad boog het gerechtshof in Den Bosch zich begin vorig jaar over de zaak. Daarbij draaide het om de vraag of de autohandelaar in het hele proces de ‘macht had om als eigenaar te beschikken’ over de auto’s. Het hof concludeerde dat dit niet het geval was. De onderneming had alleen een administratieve rol, had de auto’s niet geleverd, en mocht dus ook geen BTW in aftrek brengen.
Tegen die uitspraak van het hof ging de onderneming weer in cassatie. En de Hoge Raad gaf hem deels gelijk. Het standpunt van het hof dat de onderneming nooit een debiteurenrisico had gelopen was niet genoeg onderbouwd. Dat gold ook voor de aanname dat de onderneming waarschijnlijk geen verkoopresultaat had behaald met de handel in auto’s.
Daarom vond de Hoge Raad dat een ander gerechtshof zich nogmaals over de zaak moet buigen. Van de vier hoven had er één zich nooit bemoeid met de zaak: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Dat mag zich nu alsnog buigen over het geschil.
Hoge Raad, 24 januari 2020, ECLI (verkort): 97

Bijlagen bij dit bericht

Aandachtspunten voor de BTW-aangifte
E-learning | VideoCollege 12 minuten
Factureren met BTW-berekening
E-learning | VideoCollege 24 minuten
BTW-aangifte checken
Tools | Checklists
Verzoek fiscale eenheid BTW
Tools | Maatwerkbrieven