VERDIEPINGSARTIKEL

BTW-regels van verschillende EU-lidstaten geharmoniseerd

De EU-lidstaten zijn een viertal BTW quick fixes overeengekomen die de harmonisatie van de handel van goederen tussen BTW-ondernemers in verschillende EU-lidstaten teweeg moet brengen.

De BTW quick fixes zijn vanaf 1 januari 2020 van kracht in Nederland en hebben gevolgen voor BTW-ondernemers die goederen leveren aan andere EU-lidstaten.


9 november 2020 6 minuten Door redactie

Dit verdiepingsartikel wordt u aangeboden door Rendement Online en Carola van Vilsteren, Van Vilsteren BTW, e-mail: info@btwadvies.com


Onder de vroegere regelgeving mocht een ondernemer het BTW-nultarief toepassen op intracommunautaire leveringen wanneer hij kon bewijzen dat de goederen aan een andere ondernemer waren geleverd en die goederen de lidstaat van vertrek ook fysiek hadden verlaten.

De eerste maatregel geldt vanaf 1 januari 2020. Per die datum is het verplicht en dus een daadwerkelijke eis om bij 0% BTW bij een intracommunautaire levering het BTW-identificatienummer van de afnemer te vermelden op de factuur. Door deze eis móet de BTW-ondernemer alle BTW-identificatienummers van zijn afnemers vastleggen.

Het is verstandig om de BTW-identificatienummers periodiek te controleren

BTW-identificatienummers vastleggen

Het gevolg van deze eerste quick fix is dat ondernemers alle BTW-identificatienummers van afnemers in hun (ERP-)systeem moeten vastleggen. Zij moeten immers facturen kunnen versturen waarop naar het juiste BTW-identificatienummer van de afnemer wordt verwezen en zij moeten hun Opgaaf Intracommunautaire Prestaties (Opgaaf ICP) juist kunnen indienen.

Het is verstandig om deze BTW-identificatienummers op periodieke basis – maar beter is nog elke keer als u een factuur verstuurt – te controleren en valideren. U kunt het BTW-identificatienummer controleren met het VAT Information Exchange System (VIES) van de Europese Commissie. Dit geldt voor zakelijke klanten uit alle EU-lidstaten. Dus ook Nederlandse klanten.

Van de meeste lidstaten kunt u met VIES ook de naam- en adresgegevens van uw klant controleren. Intracommunautaire leveringen worden aangegeven in het tijdvak van de factuurdatum bij de opgaaf ICP.

Als er geen goederen worden geleverd in een tijdvak hoeft er geen opgaaf ICP gedaan te worden. De opgaaf ICP moet corresponderen met de leveringen van goederen aan andere BTW-ondernemers die aangegeven wordt bij rubriek 3b ‘Leveringen naar/diensten in landen binnen de EU’ in de BTW-aangifte.

Aantonen intracommunautaire levering

De tweede quick fix gaat over bewijsvoering. Voor 1 januari 2020 gold ten aanzien van de intracommunautaire levering de vrije bewijsleer. Deze leer houdt in dat een BTW-ondernemer vrij is in de manier waarop hij denkt het bewijs te kunnen leveren.

Dat is veranderd. Vanaf 1 januari 2020 geldt het weerlegbare bewijsvermoeden. Dit houdt in dat twee onafhankelijke stukken, een A- en B-document, samen moeten aantonen dat het vervoer rondom een intracommunautaire levering daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. U kunt bijvoorbeeld denken aan de combinatie van een ondertekende CMR (zie kader hieronder) en een polis van de desbetreffende transportverzekering.

Zodra de Belastingdienst over informatie beschikt die het door de BTW-ondernemer aangevoerde bewijs tegenspreekt, vervalt het bewijsvermoeden. Bij vervallen van het bewijsvermoeden moet de BTW-ondernemer opnieuw met bewijs komen voor de toepassing van 0% BTW bij de intracommunautaire levering.

Kan hij dit niet aanleveren, dan geldt het tarief van 0% BTW bij de intracommunautaire levering aan een BTW-ondernemer in een andere EU-lidstaat niet. Dit betekent dus dat een BTW-ondernemer een goed onderbouwd bewijs moet hebben dat afkomstig is uit een goed onderhouden administratie.

Internationaal vervoer

Het CMR-verdrag is een internationaal verdrag tussen Europese landen. Ook enkele landen buiten Europa zijn aangesloten bij het CMR-verdrag. De afkorting CMR staat voor ‘Convention relative au Contrat de Transport International de Marchandises par Route’ (Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg).

Het verdrag kwam in 1956 in Genève tot stand. In 1978 werd het verdrag gewijzigd bij protocol om de SDR als eenheid in te voeren en in 2008 werd het verdrag uitgebreid met het protocol voor de elektronische vrachtbrief.

Onafhankelijke bewijsstukken

De bewijsstukken die de ondernemer moet leveren zijn onder te verdelen in de bewijsstukken A en B. Document A kan bijvoorbeeld betrekking hebben op de verzending of het vervoer, zoals:

  • een ondertekende CMR- vrachtbrief;
  • een cognossement;
  • een factuur voor het luchtvrachtvervoer van de goederen;
  • een factuur van de vervoerder van de goederen.

Vervolgens moet er een ander document worden aangeleverd (document B) dat niet tegenstrijdig is met bewijsstuk A. Ook moet bewijsstuk B zijn vrijgegeven door een onafhankelijke partij. Onafhankelijk houdt hierbij in dat het document niet mag zijn aangeleverd door dezelfde persoon of rechtspersoon die bewijsstuk A al heeft aangeleverd. Bij document B kunt u denken aan:

  • een verzekeringsovereenkomst voor de verzending of het vervoer van de goederen of bankdocumenten die de betaling van de verzending of het vervoer of de verzending staven;
  • officiële documenten uitgereikt door een openbare instantie, zoals een notaris, waarin de aankomst van de goederen in de lidstaat van bestemming wordt bevestigd;
  • een ontvangstbewijs van een entrepothouder.

Voorraad op afroep

De derde quick fix gaat over voorraden op afroep en consignatievoorraad. Als een BTW-ondernemer de goederen zelf vervoert en opslaat bij de toekomstige afnemer is er sprake van een voorraad op afroep. Voorheen waren er per EU-lidstaat veel verschillende regelingen die ervoor zorgden dat een BTW-ondernemer niet verplicht was zich te registreren in het EU-land waar de afnemer is gevestigd.

Om registratie als BTW-ondernemer in een andere EU-lidstaat te voorkomen bij een voorraad op afroep moet aan de volgende eisen zijn voldaan:

  • Binnen twaalf maanden vanaf het moment dat de overbrenging plaatsvindt, moeten de goederen zijn verkocht aan de afnemer.
  • De afnemer is geregistreerd in de EU-lidstaat waar de goederen worden afgenomen.
  • De leverancier mag niet zijn gevestigd in het land van de afnemer.
  • De leverancier mag geen vaste inrichting hebben in het EU-land van de afnemer.
  • De leverancier maakt een melding van de overbrenging van de goederen aan de afnemer in de ‘Opgaaf intracommunautaire leveringen’. Dit moet tevens worden aangegeven in rubriek 3b in uw aangifte omzetbelasting. De overbrenging die is vermeld in de ‘Opgaaf intracommunautaire leveringen’ moet corresponderen met de overbrenging die is vermeld in de aangifte omzetbelasting in rubriek 3b.
  • Zowel de leverancier als de afnemer in de andere EU-lidstaat houden een register bij van de in consignatie of voorraad op afroep afgeleverde goederen.

Consignatieverkoop

Bij een consignatiezending is de EU-afnemer bij overbrenging van de goederen naar de andere lidstaat (nog) niet bekend. De goederen worden eerst naar een zogenoemde ‘consignatiehouder’ gestuurd, die de goederen op een later tijdstip doorverkoopt aan zijn afnemers.

Bij voorraad op afroep gaat het juist om het overbrengen van eigen voorraad in afwachting van de latere afname door de al bekende afnemer. De goederen vormen dan letterlijk voorraad die op elk gewenst moment door de (bekende) koper kan worden ‘afgeroepen’.

Vanaf 1 januari 2020 is een BTW-ondernemer die voorraad stalt bij een consignatiehouder en waarbij de afnemende partij nog niet bekend is, onder bovengenoemde voorwaarden, niet verplicht om zich te registreren in het land van de consignatiehouder.

Overgangsregeling

Als een consignatie- of voorraad-op-afroeplevering plaats heeft gevonden waardoor er zich op 31 december 2019 goederen bevonden op Nederlandse bodem, geldt er een overgangsregeling. Hierdoor zijn de eerder genoemde vereisten met betrekking tot deze leveringen niet van toepassing en moet de BTW-ondernemer zich in veel gevallen registreren in het EU-land van de afnemer of consignatiehouder.

BTW-ondernemer bij ketentransacties

De laatste quick fix betreft ketentransacties. Bij een ketentransactie worden goederen geleverd aan een afnemer. Tussen de leverancier en de uiteindelijke afnemer, beiden BTW-ondernemers, bevinden zich tussenhandelaren.

Dit vormt geen probleem als alle partijen die in de ketentransactie zich in Nederland bevinden, maar wel als de goederen uiteindelijk terechtkomen in een ander EU-land. Welke transactie wordt dan als intracommunautaire levering gezien en waarbij geldt 0% BTW?

Voor 1 januari 2020 was degene die de feitelijke beschikkingsmacht had over het goed bepalend voor de plaats van de intracommunautaire levering en de toepassing van 0% BTW.

Vanaf 1 januari 2020 geldt dat de tussenhandelaar, niet zijnde de leverancier, die het vervoer regelt of laat verzorgen de BTW-ondernemer is aan wie intracommunautaire levering tegen 0% BTW wordt gedaan.