Door 'nieuwe' rechtspraak geen ambtshalve vermindering

29 april 2024 | Door redactie

De Hoge Raad heeft uitleg gegeven over het begrip ‘nieuwe jurisprudentie’ bij verzoeken om ambtshalve vermindering voor de inkomstenbelasting (IB). Ons hoogste rechtsorgaan stelt dat de inspecteur niet kan weigeren een aanslag ambtshalve te verminderen met een beroep op nieuwe rechtspraak als de aanslag is gebaseerd op een onredelijk standpunt.

Belastingplichtigen voor de IB kunnen een verzoek om ambtshalve vermindering van hun aanslag IB doen bij de Belastingdienst als ze er bijvoorbeeld achterkomen dat ze een fout hebben gemaakt maar de bezwaartermijn al verstreken is. De inspecteur zal de aanslag aanpassen als duidelijk is dat de aanslag niet juist is en dat er een fout is gemaakt. Het verzoek tot ambtshalve vermindering kan tot vijf jaar na het jaar waarover de aanslag of beschikking gaat worden ingediend. Een ambtshalve vermindering is echter niet altijd mogelijk. Zo zal de inspecteur geen vermindering kunnen geven bij nieuwe jurisprudentie of een nieuw beleidsbesluit. Over die nieuwe jurisprudentie ging het in onderstaande zaak.

Al eerder een oordeel geveld door Hoge Raad

In deze zaak verzocht een belastingplichtige op 24 december 2019 om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB over de jaren 2014-2017 omdat er uitkeringen uit onzuive pensioenaanspraken onterecht tot het box 1-inkomen waren gerekend. De inspecteur wees dit verzoek af omdat in een arrest van 18 oktober 2019 was bepaald dat dit wel terecht was. Het ging hier om jurisprudentie die was gewezen nadat de aanslagen onherroepelijk waren komen vast te staan. De belastingplichtige vond echter dat de Hoge Raad al in 2009 een oordeel over deze kwestie had geveld. De rechtbank gaf de inspecteur gelijk waarna de belastingplichtige sprongcassatie instelde.

Uitleg van begrip 'nieuwe jurisprudentie'

De Hoge Raad ging verder in op het begrip 'nieuwe jurisprudentie' dat vaak speelt bij verzoeken om ambtshalve vermindering. De rechter stelde dat in de wet is opgenomen dat een aanslag niet ambtshalve wordt verminderd vanwege het feit dat de inspecteur bij het opleggen van de aanslag is uitgegaan van een opvatting die voor de belastingplichtige ongunstiger is dan de rechtsopvatting waarvan de Hoge Raad is uitgegaan in een arrest dat is gewezen op of na de dag waarop die aanslag onherroepelijk is komen vast te staan. De inspecteur kan dus niet weigeren om een aanslag ambtshalve te verminderen als hij bij het opleggen van die aanslag is uitgegaan van een rechtsopvatting waarvan hij redelijkerwijs niet mocht menen dat die juist was. Dan kan namelijk niet worden gezegd dat de onjuistheid van de aanslag voortvloeit uit latere rechtspraak. De vraag of de inspecteur in redelijkheid mocht vinden dat zijn standpunt juist was, moest worden beoordeeld naar de stand van het recht op het moment waarop de aanslag onherroepelijk was geworden. En daarmee rekening houdende wilde dit voor deze zaak zeggen dat de inspecteur het verzoek van de belastingplicht om ambtshalve vermindering terecht had afgewezen.
Hoge Raad, 26 april 2024, ECLI (verkort): 667