Fiscus moet aanslag op tijd bekendmaken

De Belastingdienst heeft niet eeuwig de tijd om een aanslag op te leggen. De bekendmaking – het toezenden van een aanslagbiljet – moet binnen de aanslagtermijn gebeuren. Het is volgens de Hoge Raad niet voldoende als de inspecteur u binnen de aanslagtermijn alleen in kennis stelt. De aanslag is dan te laat en de fiscus moet de aanslag vernietigen.

25 april 2014 | Door redactie

Na het ontstaan van een belastingschuld heeft de Belastingdienst in principe drie jaar de tijd om een aanslag inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting op te leggen. De belastingschuld ontstaat op het einde van de laatste dag van het kalenderjaar waarop de aanslag betrekking heeft. In deze zaak eindigde de termijn voor het opleggen van de aanslag inkomstenbelasting op 31 december 2011. De dagtekening van de aanslag was 14 oktober 2011. De man ontving echter nooit een aanslag en de fiscus reikte pas op 6 februari 2012 een kopie van het aanslagbiljet uit.

Bekendmaking per post

De man vond daarom dat de aanslag niet op tijd was opgelegd. Uiteindelijk kwam de zaak bij de Hoge Raad terecht. Volgens de Hoge Raad is in het algemeen aan de bekendmaking voldaan met de bezorging per post van het aanslagbiljet. Er geldt een uitzondering als het aanslagbiljet door een fout (bijvoorbeeld een foute adressering) niet op de eindbestemming aankomt. Bereikt het aanslagbiljet uiteindelijk wel de eindbestemming, dan wordt geacht dat het aanslagbiljet de voorafgaande dag is verzonden. De fiscus had de aanslag in deze situatie dus niet binnen de termijn opgelegd. De Hoge Raad vernietigde de aanslag en de Belastingdienst moest het reeds betaalde bedrag terugbetalen.
Met dit arrest kwam de Hoge Raad terug op een eerdere beslissing uit 1989. In dat arrest stelde de Hoge Raad namelijk dat het voldoende was als de fiscus de belastingplichtige binnen de aanslagtermijn in kennis stelde van het verzenden van het aanslagbiljet.
Hoge Raad, 18 april 2014, ECLI (verkort): 930