Hoge Raad moet zich buigen over verplichte eHerkenning

14 juni 2022 | Door redactie

De advocaat-generaal (A-G) wil dat de Hoge Raad beoordeelt of het digitale inlogmiddel eHerkenning verplicht gesteld kan worden voor de aangifte. In tegenstelling tot de rechtbank denkt de A-G namelijk dat de wettelijke basis voor die verplichting er wél is.

De eHerkenning is een digitaal inlogmiddel dat ondernemingen en organisaties nodig hebben voor contact met de Belastingdienst of met UWV. De fiscus laat steeds meer aangiftes lopen via het nieuwe portaal Mijn Belastingdienst Zakelijk, en om daar binnen te komen is eHerkenning verplicht. De loonaangifte en de aangifte vennootschapsbelasting lopen al een paar jaar via dit nieuwe portaal, en sinds dit jaar geldt dat ook voor de BTW-aangifte van bv’s. Eenmanszaken kunnen blijven inloggen met DigiD.

Rechter: geen wettelijke basis voor naheffingsaanslag

Op de eHerkenning is ook de nodige kritiek, omdat het geld kost om de digitale sleutel aan te schaffen. Dit in tegenstelling tot DigiD. Dat ondernemingen en organisaties moeten betalen om iets te doen wat verplicht is, namelijk belastingaangifte doen, stuit menigeen tegen de borst. Mede daarom is er een compensatieregeling opgetuigd.
Eerder dit jaar stapte een bv met succes naar de rechter om de verplichte eHerkenning aan te vechten. De onderneming kreeg een naheffingsaanslag voor de loonheffingen aan de broek omdat zij te laat aangifte had gedaan. De bv stelde dat zij wel aangifte had willen doen, maar dat ging niet omdat zij geen eHerkenning had. De rechtbank concludeerde kort gezegd dat er geen wettelijke basis was voor het feit dat de bv moest betalen om aangifte te kunnen doen. De inspecteur had dus ook geen grond om een naheffingsaanslag op te leggen, en die ging daarom de prullenbak in.

Overheid mag eisen stellen aan digitaal bericht

Naar aanleiding van deze zaak heeft A-G René Niessen nu cassatie ‘in het belang der wet’ gevorderd. Dat wil zeggen dat hij de zaak toch wil voorleggen aan de Hoge Raad, ondanks dat er geen hoger beroep is ingesteld tegen het oordeel van de rechtbank. De A-G vindt het dus met het oog op de rechtszekerheid van belang om te weten of de hoogste rechter van ons land zich kan vinden in het oordeel van de rechtbank.
Zelf concludeerde de A-G dat er wel degelijk een wettelijke basis is voor het verplicht stellen van eHerkenning voor de aangifte. De wetgever mag op basis van verschillende wetsartikelen namelijk eisen stellen aan de wijze waarop een bericht aan de overheid via de digitale weg wordt verstuurd. Bij het verplicht stellen van eHerkenning is de overheid volgens de A-G daarom niet buiten zijn bevoegdheid getreden. Wanneer het oordeel van de Hoge Raad volgt is op dit moment nog onduidelijk.
Parket bij de Hoge Raad, 10 juni 2022, ECLI (verkort): 553