Inlener moet belastingschuld uitlener betalen

Leent u personeel in van een uitzendbureau, dan moet u er rekening mee houden dat de Belastingdienst u in sommige gevallen aansprakelijk kan stellen voor onbetaalde belastingschulden van de uitlener. Dit was het geval in een recente rechtszaak van rechtbank Zeeland-West-Brabant.

23 april 2014 | Door redactie

Een g-rekening is een geblokkeerde rekening die gebruikt wordt om betalingen aan de Belastingdienst te doen. Met deze rekening kunt u te maken krijgen als u werkt met onderaannemers of uitleners. De uitlener of onderaannemer moet in principe de BTW en loonheffingen afdragen. Gebeurt dit niet, dan kan de Belastingdienst bij u aankloppen voor deze niet-betaalde bedragen als u zaken heeft gedaan met de uitlener/onderaannemer. U kunt dit risico voorkomen door te werken met een gecertificeerd uitzendbureau (in geval van uitlening) en door een kwart van het factuurbedrag te storten op de geblokkeerde bankrekening (g-rekening) bij de fiscus.

In principe kan inlener niet aansprakelijk gesteld worden

In deze zaak verzocht de uitlener om deblokkering van de g-rekening, omdat het saldo van de g-rekening hoger was dan de loonheffingen en BTW waarvoor de bedragen gestort waren. Normaal gesproken kan de inlener in principe niet aansprakelijk gesteld worden voor de gedeblokkeerde bedragen op een g-rekening als de Belastingdienst akkoord heeft gegeven voor het deblokkeren. In sommige gevallen verhaalt de fiscus onbetaalde belastingschulden toch op de inlener. Dit is het geval als na het deblokkeren van de g-rekening blijkt dat er sprake is van onbetaalde belastingschulden en de uitlener, in dit geval de bestuurder van de uitlener, niet meer aansprakelijk te stellen is.

Belastingschuld niet altijd te verhalen op uitlener

De rechtbank was van mening dat de ontvanger van de Belastingdienst zich voldoende had ingespannen om de belastingschulden te verhalen bij de verdwenen bestuurder van de uitlener. Doordat er geen volledige administratie aanwezig was, kon de inspecteur ook geen geïndividualiseerde berekening te maken. De rechtbank accepteerde daarom de berekening op basis van de werkelijke omzetgegevens en verklaarde het beroep van de inlener dan ook ongegrond.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 21 maart 2014, ECLI (verkort): 1964