Navorderingstermijn van 12 jaar mag blijven

De Hoge Raad vindt dat de navorderingstermijn van 12 jaar in de schenkbelasting die geldt voor buitenlands inkomen en vermogen niet in strijd is met het EU-recht. De langere navorderingstermijn is net zoals voor de inkomstenbelasting en vermogensbelasting al eerder was aangegeven dus toegestaan.

12 oktober 2020 | Door redactie

De Belastingdienst mag onterecht niet betaalde belasting navorderen of naheffen, maar hier zijn wel termijnen aan verbonden. Als het om binnenlands inkomen of vermogen gaat is die termijn 5 jaar na afloop van het belastingtijdvak. Dit wil dus zeggen dat bijvoorbeeld over 2017 nog tot 31 december 2022 een navorderingsaanslag kan worden opgelegd. Gaat het echter om een door de Belastingdienst gemaakte fout die hij wil herstellen, dan moet de inspecteur binnen 2 jaar na het einde van het tijdvak waarin de belastingschuld is ontstaan, de navorderingsaanslag hebben opgelegd. Betreft het buitenlands inkomen of vermogen dan is de termijn niet 5 jaar, maar 12 jaar.

EU-recht was geschonden

In de betreffende zaak ging het om een vrouw die in 1998 van haar vader een bedrag kreeg geschonken. Het ging hier om een banktegoed in Zwitserland. Hiervan werd geen aangifte gedaan. Vader overleed in 2005 en de vrouw gaf in 2015 het bestaan van de rekening door aan de Belastingdienst. Ze kreeg een navorderingsaanslag voor de schenkbelasting 1998 opgelegd. De vrouw vond dat het EU-recht was geschonden omdat de aanslag pas 17 jaar na de schenking was opgelegd.

Niet in strijd met EU-recht

De Hoge Raad gaf aan dat de navorderingstermijn van 12 jaar niet in strijd was met het EU-recht. Hierbij stelde ons hoogste rechtsorgaan dat als de verlengde navorderingstermijn van artikel 16 van de AWR die geldt voor de inkomstenbelasting en vermogensbelasting niet in strijd is met het EU-recht,  dit ook geldt voor de navorderingstermijn van schenkingsrecht. Als voor de belastingdiensten van een lidstaat spaartegoeden en inkomsten uit deze tegoeden zijn verzwegen en deze autoriteiten geen aanwijzingen over het bestaan ervan hebben op grond waarvan zij een onderzoek kunnen instellen, kan deze lidstaat een langere navorderingstermijn toepassen wanneer deze tegoeden in een andere lidstaat zijn aangehouden dan wanneer zij in eerstgenoemde lidstaat zijn aangehouden. Daarbij is het dus niet belangrijk dat die termijn (op grond van artikel 66, lid 1, onderdeel 2 van de Successiewet) pas begint te lopen op de dag van inschrijving van de akte van overlijden van de schenker of de begiftigde in de registers van de burgerlijke stand. De Hoge Raad wees er daarbij op dat dit tijdstip zowel geldt voor binnenlands als voor buitenlands inkomen/vermogen. De rechter verklaarde het beroep in cassatie dus ongegrond.
Hoge Raad, 9 oktober 2020, ECLI (verkort): 1600