Oldtimerregeling schendt mensenrechten niet

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de oldtimerregeling niet strijdig is met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM). Dankzij de overgangsregeling kan er geen sprake zijn van een buitensporige last en een inbreuk op het recht van eigendom.

27 december 2016 | Door redactie

Een oldtimerbezitter had de zaak aangespannen nadat hij door een wijziging in de oldtimerregeling zijn vrijstelling voor de motorrijtuigenbelasting (MRB) kwijtraakte. Hij vond dat de wetswijziging een onvoorziene buitensporige last voor hem tot gevolg had, aangezien zijn auto uit 1978 ineens niet meer belastingvrij was. De lagere rechters en de advocaat-generaal (AG) oordeelden eerder al zijn nadeel, en de Hoge Raad heeft de conclusie van de AG gevolgd.

Kwarttarief geen buitensporige last

Door de wetswijziging werd de vrijstelling in de MRB opgeschoven naar auto’s van 40 jaar een ouder. Auto’s die door de wijziging ineens toch onder de MRB kwamen te vallen, betalen onder de overgangsregeling het kwarttarief van de MRB. Volgens de Hoge Raad was de wetswijziging geen onrechtmatige inbreuk op het eigendomsrecht. Bovendien was de wetswijziging nauwkeurig doorgevoerd en kon de oldtimerbezitter ook niet aantonen dat hij buitensporig getroffen was door het vervallen van zijn vrijstelling.
Hoge Raad, 23 december 2016, ECLI (verkort): 2829