Verlengde navordering niet in strijd met vrij kapitaalverkeer

De Belastingdienst kan de verlengde navorderingstermijn prima toepassen bij verzwegen tegoeden op een buitenlandse rekening, vindt de Hoge Raad. Voor een rekening in een land buiten de Europese Unie is die langere navordering niet in strijd met het vrije kapitaalverkeer.

27 juni 2017 | Door redactie

De Hoge Raad moest uitspraak doen in een zaak van een man die in Zwitserland een beleggingsrekening aanhield. Maar hij had dat geld niet aangegeven voor de inkomstenbelasting. De FIOD kwam het kapitaal uiteindelijk op het spoor en de Belastingdienst legde een navorderingsaanslag (tools) op. Daarbij maakte de inspecteur gebruik van de verlengde navorderingstermijn, waarmee de fiscus bij buitenlandse tegoeden tot 12 jaar na dato een aanslag kan opleggen.

Belastingdienst moet voortvarend te werk gaan

Over de vraag of die verlengde navordering in strijd was met het vrije kapitaalverkeer binnen de Europese Unie werd al eerder gesteggeld voor de Hoge Raad. Het rechtscollege oordeelde toen, mede op basis van antwoorden van het Europese Hof van Justitie, dat het hanteren van de verlengde navorderingstermijn op zich mogelijk is. Maar dan moet de Belastingdienst wel voortvarend te werk gaan bij het opsnorren van de benodigde gegevens en het vaststellen van de aanslag.
In deze zaak voerde de man aan dat er van een voortvarende aanpak door de inspecteur geen sprake was. De verlengde navorderingstermijn zou daarom niet gebruikt mogen worden.

Kapitaalverkeer met land buiten EU

In deze zaak ging het echter niet om een EU-land, maar om Zwitserland. Daarom ging de Hoge Raad opnieuw te rade bij het Europese Hof. Dit bepaalde dat Nederland in dit soort gevallen een beroep kan doen op de zogeheten standstillbepaling. In dit geval komt dat erop neer dat de verlengde navordering gewoon mag, of de inspecteur nu voortvarend handelt of niet. De Hoge Raad deed de zaak dan ook zelf af en liet de navorderingsaanslag in stand.
Hoge Raad, 2 juni 2017, ECLI (verkort): 843