Verzoek om ambtshalve vermindering als laatste redmiddel
Een verzoek om ambtshalve vermindering kan voor een belastingplichtige nog uitkomst bieden als de termijnen voor bezwaar en beroep al zijn verlopen. Maar als er geen sprake is van een overduidelijke fout, is het wel een enigszins onzekere route.
Een belastingplichtige die het niet eens is met een aanslag voor de inkomstenbelasting (IB) zal in eerste instantie bezwaar maken (stappenplan). Levert dat niet het gewenste resultaat op, dan kan diegene nog in beroep bij de rechter. Maar zo’n bezwaarschrift (maatwerkbrief) moet wel binnen zes weken na de dagtekening binnen zijn bij de Belastingdienst.
Tegemoetkoming van de inspecteur
Zijn de termijnen voor bezwaar en beroep verlopen, dan resteert nog het verzoek om ambtshalve vermindering (verdiepingsartikel). Een ambtshalve vermindering is in feite een tegemoetkoming van de inspecteur. Want de IB-aanslag staat op dat moment al definitief vast, en eigenlijk is het boek dus al dicht. Anderzijds is een verzoek ook niet kansloos, zeker niet als er bijvoorbeeld getallen zijn verwisseld in de aangifte. Regelgeving schrijft namelijk voor dat de inspecteur in het geval van een overduidelijke fout een vermindering toepast. Verder geldt dat de inspecteur een verzoek moet afwijzen in een voor bezwaar vatbare beschikking. Dus na een afwijzing kan een belastingplichtige eventueel alsnog in bezwaar en in beroep.
Verzoek binnen 5 jaar indienen
Wel moet het verzoek uiteraard aan een aantal voorwaarden voldoen. Zo is de uiterste inlevertermijn 5 jaar na het jaar waarover de aanslag of beschikking gaat. Voor IB-aanslagen over het jaar 2021 moet een belastingplichtige dus uiterlijk eind dit jaar een verzoek om ambtshalve vermindering hebben ingediend. Dat gaat via een schriftelijk verzoek aan het regionale belastingkantoor.
Geen beroep doen op nieuwe jurisprudentie
Een andere belangrijke voorwaarde is dat een belastingplichtige het verzoek niet mag baseren op nieuwe jurisprudentie. Over wat nieuw is valt nog wel enigszins te twisten, want een nieuwe gerechtelijke uitspraak kan ook voortborduren op een opvatting van 10 jaar geleden. Maar volgens de vuistregel is het simpelweg een kwestie van datums vergelijken. Is een gunstige uitspraak of beleidsregel van na de datum dat de aanslag onherroepelijk is komen vast te staan, dan kan de belastingplichtige daar geen beroep meer op doen. Dat is bijvoorbeeld gebeurd bij de zogeheten niet-bezwaarmakers voor box 3 van de IB. Voor hen is het arrest waarin de Hoge Raad de heffing in box 3 naar de prullenbak verwijst expliciet aangewezen als nieuwe jurisprudentie. De niet-bezwaarmakers kunnen dus geen beroep doen op dit arrest om alsnog een vermindering van de heffing te krijgen.