Geen loon voor werknemer die weigert mondkapje te dragen

Een werkgever is bevoegd om de loonbetaling aan een werknemer op te schorten en hem de toegang tot het werk te ontzeggen zolang hij weigert een mondkapje te dragen, zo oordeelde de kantonrechter van Rechtbank Midden-Nederland gisteren.

14 januari 2021 | Door redactie

De betreffende werknemer bracht goederen rond voor een banketbakkerij. Vanwege de coronamaatregelen vroeg de werkgever op 13 oktober 2020 aan het personeel om op het werk een mondkapje te dragen. De chauffeur weigerde dit, waarna de werkgever de loonbetaling opschortte en de werknemer op non-actief stelde. Hierop stapte de werknemer naar de kantonrechter voor een kort geding. Hij vorderde onder meer betaling van het achterstallige salaris en om opnieuw toegelaten te worden tot de werkzaamheden. Volgens de werknemer maakte het dragen van een mondkapje inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer omdat dit hinder, ongemak en gezondheidsrisico’s veroorzaakte. De kantonrechter wees de vorderingen van de werknemer af.

Dragen mondkapje is maatschappelijk aanvaard middel

De werkgever beriep zich op het wettelijke instructierecht. Op basis hiervan mag de werkgever redelijke instructies geven aan de werknemer, op voorwaarde dat de instructies een legitiem doel hebben. De rechter oordeelde dat dit het geval was. Ten eerste is de werkgever verplicht te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving. Dit betekent dat hij besmetting met het coronavirus op de werkvloer zo veel mogelijk moet tegengaan. Daarnaast moet de werkgever zijn bedrijfsbelangen beschermen. Aan werknemers die door quarantaine of ziekte als gevolg van het coronavirus niet kunnen werken, moet hij wel het loon doorbetalen. Hoewel over de effectiviteit van het mondkapje wordt getwist, is het een maatschappelijk aanvaard middel. Het dragen van een mondkapje kan bijdragen aan de veiligheid en gezondheid van werknemers. De werkgever mag daarom deze verplichting opleggen.

Werkgever hoeft geen verschil te maken tussen functies

Overigens hoefde de werknemer alleen een mondkapje op als hij in de bedrijfspanden was, wat neerkwam op 10% van zijn werktijd. In zijn transportbus hoefde hij geen mondkapje te dragen. De werknemer vond dat de werkgever bij het opleggen van de instructie verschil had moeten maken tussen de verschillende functies. De kantonrechter oordeelde dat de werkgever er juist belang bij had om bij het geven van de instructie één lijn te trekken. Het dragen van een mondkapje is immers alleen effectief als iedereen in het pand zich daaraan houdt. Zolang de werknemer de instructie niet onvoorwaardelijk opvolgt, is de werkgever naar het oordeel van de rechter bevoegd om de loonbetaling op te schorten en hem de toegang tot het werk te ontzeggen.
Rechtbank Midden-Nederland, 13 januari 2021, ECLI (verkort): 51