OR staat sterk bij vaccinatieplan werkgever

Een meerderheid van de werkgevers wil graag weten of werknemers gevaccineerd zijn. In sommige sectoren wordt zelfs gesproken over een verplichte vaccinatie. Een verplichte vaccinatie of registratie is echter verboden. Wat kan de ondernemingsraad (OR) doen als de werkgever druk uitoefent op de werknemers om zich te laten vaccineren of wil weten of zij gevaccineerd zijn?

20 september 2021 | Door redactie

Een werkgever moet de veiligheid op de werkvloer garanderen. Dat is misschien eenvoudiger als hij weet of werknemers gevaccineerd zijn tegen het coronavirus, maar volgens de huidige wetgeving is dat geen optie. Een werkgever mag werknemers niet verplichten om zich te laten vaccineren of te laten testen en mag ook niet vragen om een vaccinatiebewijs. Demissionair minister De Jonge sluit echter een wijziging van de wetgeving niet uit. Ook dan kan de bestuurder niet zomaar een vaccinatie- of testplicht of vaccinatiebewijs invoeren. Daarvoor heeft hij namelijk de instemming van de OR nodig. 

OR heeft instemmingsrecht bij coronabeleid in de organisatie

Op grond van artikel 27, lid 1d van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) heeft de OR instemmingsrecht bij regelingen die betrekking hebben op onder andere de arbeidsomstandigheden in de organisatie. Een veilige en gezonde werkomgeving en het welzijn van werknemers zijn daar een belangrijk onderdeel van. Onder de huidige wetgeving is een vaccinatieplicht, verplichte coronatest of vaccinatiebewijs verboden, dus kan de OR daar hoe dan ook niet mee instemmen. Mocht het kabinet besluiten om de wetgeving ten aanzien van een vaccinatie- of testplicht of een vaccinatiebewijs te versoepelen, dan wil de bestuurder zo’n verplichting mogelijk ook gaan invoeren. De OR moet niet over één nacht ijs gaan als hij van de bestuurder een instemmingsverzoek krijgt.

OR mag advies inwinnen bij externe deskundige

De OR doet er verstandig aan om in dat geval een externe deskundige in te schakelen. Dit recht heeft de OR op grond van artikel 16 WOR. Een jurist kan de OR bijvoorbeeld uitleggen welke juridische ruimte de bestuurder heeft, wat de gevolgen zijn van een verplichte vaccinatie, coronatest of vaccinatiebewijs voor de werknemers, welke consequenties het kan hebben als werknemers hun medewerking weigeren en op welke juridische gronden de OR zich kan beroepen om de invoering van een verplichte registratie of vaccinatie tegen te gaan. De OR kan ook te rade gaan bij een arbospecialist die in kaart kan brengen wat de impact bij werknemers kan zijn, welke gevolgen dit kan hebben voor het welzijn en de gezondheid van werknemers en welke mogelijke alternatieven er zijn voor werknemers die niet willen of kunnen meewerken. Aan de hand van deze informatie van deskundigen kan de OR zijn standpunt bepalen of heeft de OR een uitgangspunt om hierover met de bestuurder in gesprek te gaan.

OR moet zijn beslissing goed kunnen onderbouwen

De bestuurder moet zijn voorgenomen besluit voor de invoering van een vaccinatiebewijs, een verplichte coronatest of vaccinatieplicht minimaal één keer met de OR bespreken. Dit geeft de OR de gelegenheid om zijn eventuele bezwaren aan de bestuurder kenbaar te maken. Vervolgens besluit de OR of hij al dan niet instemt met de invoering ervan, of onder welke voorwaarden de OR bereid is ermee in te stemmen. De OR moet zijn besluit schriftelijk en met een goede onderbouwing aan de bestuurder communiceren. Stemt de OR niet in met het besluit van de bestuurder, dan kan de bestuurder bij de kantonrechter om plaatsvervangende toestemming vragen. De kantonrechter maakt dan een afweging van de bedrijfsbelangen en de beweegredenen voor de OR om niet met het besluit in te stemmen. Ook voor een eventuele rechtsgang is het dus van belang dat de OR goede argumenten heeft voor zijn beslissing.