Geen discriminatie door taaleis in vacature

Hoewel het afwijzen van een sollicitant vanwege slechte taalvaardigheden een indirect onderscheid op afkomst kan opleveren, is dit niet verboden. De werkgever moet dan wel een goede reden voor de taaleis hebben.

12 mei 2017 | Door redactie

Onlangs stapte een Roemeense sollicitant naar het College voor de Rechten van de Mens omdat hij was afgewezen voor een chauffeursfunctie. Het uitzendbureau vond de man niet geschikt omdat hij niet goed Nederlands sprak. In de functie zou de chauffeur veel contact hebben met klanten bij wie hij pakketjes zou afleveren. Ook zou hij administratieve handelingen verrichten. Een goede beheersing van de Nederlandse taal was daarom noodzakelijk.

Sollicitant voelt zich gediscrimineerd om accent

De sollicitant voelde zich gediscrimineerd vanwege zijn accent en snelheid van spreken. Toen de man voor de chauffeursfunctie solliciteerde, was hij naar tevredenheid werkzaam in een naar zijn mening vergelijkbare chauffeursfunctie. Het uitzendbureau stelde dat de sollicitant niet was afgewezen op basis van zijn accent, maar omdat hij niet goed verstaanbaar Nederlands sprak. Tijdens de telefonische intake voor de functie moest zijn vrouw het woord voor hem voeren.

Geen beter middel dan taaleis om doel te bereiken

Een afwijzing vanwege een taaleis is een vorm van indirect onderscheid (tool) op grond van afkomst. Sollicitanten van niet-Nederlandse afkomst zijn in vergelijking met sollicitanten van Nederlandse afkomst immers vaker in het nadeel. Dit onderscheid is niet verboden als de werkgever daar een goede reden voor heeft. Volgens het College had de werkgever geen discriminerend doel of verkeerd middel gebruikt. De taaleis was nodig om de functie goed uit te kunnen voeren. Er was niet gebleken dat er een minder onderscheidmakend middel voorhanden was. Het uitzendbureau maakte ook voldoende aannemelijk dat de man de Nederlandse taal niet goed genoeg beheerste en dat er in de functie andere vaardigheden nodig waren dan in de functie van de sollicitant.
College voor de Rechten van de Mens, 4 mei 2017, oordeelnummer: 2017-56