Geen extra vakantie-uren voor 30-plussers

Een regeling waarbij werknemers extra vakantie-uren krijgen naarmate ze ouder worden, is mogelijk in strijd met de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (WGBL). Onlangs stapte een werkgever naar Het College voor de Rechten van de Mens om zijn regelingen te toetsen. Het College had de OR ook om toelichting gevraagd.

30 januari 2014 | Door redactie

In een organisatie kregen werknemers extra vakantie-uren als zij 30 jaar of ouder waren. Hoe ouder de werknemer, hoe hoger het aantal verlofuren. Vanaf 60 jaar kregen werknemers ook recht op seniorenuren. De werkgever stapte naar het College voor de Rechten van de Mens met de vraag of hij met één van de regelingen uit het arbeidsvoorwaardenreglement een verboden onderscheid maakt op grond van leeftijd.

Verboden onderscheid objectief rechtvaardigen

Het College oordeelde dat er sprake was van een direct onderscheid op grond van leeftijd. Zo’n verboden onderscheid is alleen toegestaan als de werkgever dit objectief kan rechtvaardigen. In dit geval was er echter geen sprake van een levensfase bewust personeelsbeleid waar de regelingen onderdeel van uitmaakten. De regelingen waren overgenomen van de voorganger en het doel ervan was onbekend.

OR pleit voor behoud van de vakantie-urenregeling

Het College had ook de OR gevraagd om uitleg te geven bij de regelingen. Volgens de OR was het onderscheid te rechtvaardigen doordat de oudere werknemers meer druk ervaren vanwege de werkprocessen die ­– bijvoorbeeld door het gebruik van nieuwe software – steeds veranderden. Door het toekennen van de extra vakantiedagen blijft de werkdruk beheersbaar voor deze werknemers.

Het toekennen van extra vakantie-uren is niet noodzakelijk

Het College vond het beheersen van de werkdruk een legitiem doel en het middel – het toekennen van extra vakantie-uren – was volgens het College ook passend. Toch oordeelde het College dat het middel niet noodzakelijk was. Er was namelijk niet onderzocht of het ook mogelijk was om het doel op een manier te behalen waarbij er geen sprake was van leeftijdsonderscheid. Er was dus geen objectieve rechtvaardiging en daarom was er sprake van een verboden onderscheid op grond van leeftijd.
College voor de Rechten van de Mens, 20 januari 2014, oordeel 2014-4