Kruisje op het werk mag u niet snel verbieden

U mag een werknemer niet zomaar verbieden om tijdens werktijd een kruisje om zijn nek te dragen. Als het kruisje een uiting is van zijn geloofsovertuiging, valt het dragen daarvan namelijk onder zijn recht op godsdienstvrijheid. De werkgever mag dit grondrecht slechts in bepaalde gevallen beperken.

4 februari 2013 | Door redactie

Werkgevers kunnen voorschriften opstellen met betrekking tot de kleding en het uiterlijk van hun werknemers. Dat recht valt onder van het zogenoemde instructierecht. Het kan voorkomen dat de voorschriften van de werkgever botsen met de rechten van een werknemer. In dat geval worden de belangen tegen elkaar afgewogen.

Kiezen tussen botsende belangen

Omdat een werkgever neutraliteit wil uitstralen, kan hij in zijn voorschriften – bijvoorbeeld in het personeelsreglement – bepalen dat werknemers geen zichtbare religieuze symbolen mogen dragen. Dit kan botsen met het recht op godsdienstvrijheid van een werknemer. Denk aan een werknemer die een kruisje wil dragen als uiting van zijn geloofsovertuiging. Er vindt dan een afweging plaats tussen de belangen van de werkgever en die van de werknemer. Vaak zal het grondrecht van de werknemer zwaarder wegen dan het belang van de werkgever. Het recht op godsdienstvrijheid is namelijk een fundamenteel recht en moet goed worden beschermd.

Beperking van godsdienstvrijheid

Hoewel het recht op godsdienstvrijheid een belangrijk grondrecht is, is het geen absoluut recht. Dat betekent dat het recht in sommige gevallen beperkt mag worden. Zoals u eerder heeft kunnen lezen in ‘Ontslag vanwege hoofddoek onterecht’ moet de beperking objectief gerechtvaardigd zijn. Een voorbeeld hiervan is het verbod om als verpleger een kruisje te dragen. Het dragen van een sieraad kan immers gevolgen hebben voor de gezondheid van patiënten en de veiligheid van het werk. In dat geval weegt het belang van de werkgever zwaarder dan dat van de werknemer.