Leeftijdsdiscriminatie bij leer-werkplek

Het is niet toegestaan oudere medewerkers een leer-werkplek te ontzeggen als ze op grond van de cao niet langer verplicht zijn om nachtdiensten te draaien als ze 55 jaar of ouder zijn. UWV werd onlangs op het matje geroepen door het College voor de Rechten van de Mens omdat het een leeftijdsgrens van 52 jaar hanteerde bij de selectie van kandidaten voor een BBL-traject.

30 mei 2014 | Door redactie

UWV had in samenwerking met zorg- en onderwijsinstellingen een verkorte BBL-opleiding voor verzorgenden ontwikkeld. Voor dit opleidingstraject deed UWV de voorselectie en hanteerde daarbij een leeftijdsgrens van 52 jaar. De stichting Art. 1 Bureau Discriminatiezaken Noord-Holland Noord vond dat UWV verboden leeftijdsonderscheid maakte en legde de kwestie voor aan het College voor de Rechten van de Mens.

Terugverdienen opleidingskosten was onzeker

UWV gaf aan dat het de leeftijdsgrens in het belang van de werkgever toepaste. Op grond van de geldende cao waren werknemers van 55 jaar en ouder namelijk niet meer verplicht om nog nachtdiensten te draaien. Een zorginstelling zou volgens UWV roosterproblemen kunnen krijgen als een deel van de verzorgenden geen nachtdiensten hoefde te draaien. Bovendien meende UWV dat het bij oudere medewerkers onzeker is of de zorginstellingen de opleidingskosten terugverdienen. Een werkgever moest namelijk behoorlijk investeren: hij moest de werknemer begeleiden op de werkvloer en de opleidingskosten en loonkosten betalen van de werknemer voor de periode dat deze als gevolg van de opleiding niet of gedeeltelijk inzetbaar was.

Leeftijdsonderscheid niet objectief gerechtvaardigd

Het College voor de Rechten van de Mens gaf aan dat de zorginstellingen niet hadden gevraagd om een leeftijdsgrens van 52 jaar te hanteren bij de voorselectie. UWV kon niet aantonen dat er objectieve redenen waren voor het leeftijdsonderscheid of dat die redenen zwaarwegend waren. UWV had dus verboden onderscheid gemaakt op grond van leeftijd.
College voor de Rechten van de Mens, 20 mei 2014, oordeelnummer: 2014-60