Niet verstandig om verbetertraject te stoppen

Disfunctioneert een werknemer, dan moet hij tijdens een verbetertraject de kans krijgen om zijn functioneren te verbeteren. U behoort dit verbetertraject af te ronden. Als u het traject voortijdig beëindigt en daarbij een ontbindingsverzoek doet, bestaat er een reële kans dat de rechter het verzoek afwijst.

11 augustus 2014 | Door redactie

Bij het disfunctioneren van een werknemer, kunt u een verbeterplan opstellen. Hiermee geeft u vorm aan het verbetertraject. De verslaglegging hiervan is belangrijk, want als het verbetertraject niet tot verbetering leidt, moet u een ontslag vanuit het personeelsdossier kunnen onderbouwen. De eisen aan deze onderbouwing worden volgend jaar strenger, zoals u kunt lezen in het bericht ‘Volledig dossier nog belangrijker door WWZ’. Naast de verslaglegging is het ook van belang dat u de afspraken met de werknemer nakomt. Dit is niet het geval als u het traject voortijdig stopzet.

Assessment aan het begin van een verbetertraject

Onlangs wees een kantonrechter een ontbindingsverzoek af omdat de werkgever zijn afspraken uit het verbetertraject niet was nagekomen. Dit verbetertraject was gestart nadat een werknemer voor een langere periode slecht had gefunctioneerd. Bij de start van het verbetertraject had de werkgever toegezegd dat hij de werknemer aan het einde van het traject opnieuw zou beoordelen. Aan de hand van deze beoordeling zou de werkgever een beslissing nemen over een eventuele voortzetting van de samenwerking. Aan het begin van het verbetertraject onderging de werknemer echter een assessment waaruit bleek dat hij over onvoldoende ontwikkelpotentie beschikte.

Afwijzing ontbindingsverzoek na afkappen verbetertraject

De werkgever besloot na het assessment om het verbetertraject niet af te ronden en tot contractontbinding over te gaan. De kantonrechter werkte hier echter niet aan mee. De werknemer zou immers pas na zijn verbetertraject een definitieve beoordeling krijgen. De arbeidsovereenkomst bleef daarom in stand.
Rechtbank Noord-Holland, 11 juni 2014, ECLI (verkort): 6040