Baanspecifieke training voor oudere medewerker

Werkgevers kunnen een oudere werkzoekende beter eerst koppelen aan een specifieke vacature en vervolgens de vereiste scholing aanbieden om in die nieuwe baan volledig productief te zijn. Dat beveelt de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) aan in een rapport aan de overheid om de inzetbaarheid van ouderen te verbeteren.

28 april 2014 | Door redactie

Ouderen moeten zo veel mogelijk baanspecifieke training krijgen, aldus de OESO in het rapport ‘Ageing and Employment Policies Netherlands 2014 (pdf)’ dat onlangs aan de Tweede Kamer is aangeboden. Als oudere medewerkers het geleerde direct in de praktijk kunnen brengen, wordt scholing aantrekkelijker voor hen en is de kans groter dat ze zich blijven bijscholen. Scholingsfondsen moeten geld beschikbaar stellen voor deze baanspecifieke scholing. Daarnaast adviseert de OESO om meer te investeren in branche-overstijgende werk-naar-werktrajecten, zodat het voor werknemers gemakkelijker wordt om naar een andere sector over te stappen. Dit zorgt ervoor dat hun baankansen toenemen. Sociale partners moeten daarover afspraken maken.

Langere terugverdientijd van scholing

Minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid laat in een reactie op het rapport weten dat het voor werkgevers steeds aantrekkelijker wordt om te investeren in scholing van oudere medewerkers. De pensioenleeftijd wordt immers verhoogd, waardoor de terugverdientijd van scholingskosten ook langer wordt. Bovendien is het scholingsrecht in de Wet werk en zekerheid een positieve prikkel en mag u straks onder voorwaarden scholingskosten aftrekken van de transitievergoeding bij ontslag. Als de kans op een baan hierdoor groter wordt, zal een oudere werkzoekende het ook acceptabeler vinden als (een deel van) zijn transitievergoeding wordt besteed aan scholing.