Pandhouder mag faillissement aanvragen

De Hoge Raad heeft bepaald dat een pandhouder van een vordering het faillissement mag aanvragen van een partij waarvan ze zelf geen directe schuldeiser is. De pandhouder moet zijn pandrecht dan wel bekend hebben gemaakt aan de partij die de vordering moet betalen.

12 december 2016 | Door redactie

In deze zaak draaide het om een organisatie die een bedrijfsruimte had verhuurd aan een bloemenzaak. De verhuurder had hierdoor een vordering op de bloemenzaak van € 11.000. Die vordering was vervolgens verpand aan een investeringsmaatschappij. Toen de verhuurder niet aan zijn betalingsverplichtingen voldeed ten opzichte van de investeringsmaatschappij, wilde die haar pandrecht uitoefenen en vorderde een betaling van de bloemenzaak. Die weigerde te betalen, waarop de investeringsmaatschappij het faillissement van de bloemenzaak aanvroeg.

Pandhouder is geen schuldeiser

De bloemenzaak vocht het faillissementsverzoek aan en kreeg  gelijk van het gerechtshof. Die oordeelde dat een pandhouder geen schuldeiser is van de bloemenzaak. Maar volgens de Hoge Raad mag een pandhouder  een vordering opeisen en inwinnen als deze het pandrecht bekend heeft gemaakt. Hierdoor was deze bevoegdheid, die eerst lag bij de pandgever (in dit geval de verhuurder) nu bij de pandhouder terechtkomen, inclusief de bevoegdheid om het faillissement (tool) aan te vragen. De pandhouder werd op die manier dus ook schuldeiser. Het arrest van de Hoge Raad betekent dat uw organisatie dus voor  onverwachte verrassingen kan komen te staan als blijkt dat een openstaande vordering is verpand aan een voor u onbekende partij.
Hoge Raad, 9 december 2016, ECLI (verkort): 2833