Rechter bindt Belastingdienst alsnog aan schuldregeling

De Belastingdienst moet gewoon meewerken aan een betalingsregeling waarbij de complete schuld in 5 jaar tijd wordt afbetaald. De rechter was niet erg gevoelig voor het argument dat de 'interne beleidsregel' van de fiscus nu eenmaal is dat zo'n regeling niet langer dan 3 jaar mag duren.

5 november 2019 | Door redactie

Een man en een vrouw sloten met hun schuldeisers een akkoord over de volledige afbetaling van hun schulden. Dat hield in dat ze vijf jaar de tijd zouden krijgen om het bedrag bij elkaar te sparen. Alle schuldeisers accepteerden de regeling, behalve de Belastingdienst en Famed, een onderneming die facturen int voor zorgorganisaties. De man en de vrouw stapten naar de rechter om de regeling om te laten zetten in een zogeheten dwangakkoord, waar alle schuldeisers aan gebonden zijn.

Belastingdienst is preferente schuldeiser

De Belastingdienst had nog ruim € 12.000 tegoed van de schuldenaren. Daarmee was de fiscus goed voor welgeteld 53,65% van de totale openstaande schuld. De vordering van Famed besloeg 0,56% van de totale schuld. De vordering van de Belastingdienst was bovendien voor het grootste deel ‘preferent’, wat betekent dat die met voorrang betaald moet worden. De fiscus staat dankzij dergelijke vorderingen vaak vooraan in de rij met schuldeisers (infographic).
De Belastingdienst voerde bij de rechtbank dan ook aan dat er bij de uitkering aan schuldeisers een groter deel van de koek naar de preferente schuldeisers moest gaan. Daarnaast vond de fiscus dat de berekende maandelijkse afdracht ‘niet het maximaal haalbare was’. Maar de Belastingdienst wees het akkoord ook af omdat de inspecteur niet wilde afwijken van ‘de interne beleidsregel dat een minnelijk akkoord maximaal 36 maanden mag duren’.

Bewuste keuze om schuld helemaal af te lossen

Maar de rechtbank maakte gehakt van dat argument. Nergens in de wet staat namelijk dat een schuldakkoord maar maximaal 3 jaar mag beslaan, zo merkte de rechtbank fijntjes op. Van die termijn mag dus best worden afgeweken. Ook vond de rechtbank dat de afgesproken maandelijkse uitkering wel degelijk het maximaal haalbare was. De schuldenaren hadden ook kunnen kiezen voor een regeling die 3 jaar zou duren maar waarbij wel een deel van de schuld onbetaald zou blijven. Maar in plaats daarvan besloten ze om de schulden helemaal af te betalen, wat de rechtbank ‘zelden’ ziet. Om de lange aflossingsperiode van 5 jaar door te komen was een lagere maandelijkse uitkering te rechtvaardigen. Een verschil tussen preferente en andere schuldeisers vond de rechter bovendien niet nodig, omdat de vorderingen volledig werden afbetaald. De Belastingdienst en Famed moesten dus meewerken aan het schuldakkoord.
Rechtbank Midden-Nederland, 25 juni 2019 (publicatiedatum 31 oktober 2019), ECLI (verkort): 4989