Vaste uitkering vlak vóór bankroet is rechtmatige betaling

Een bv die vlak voor een faillissement nog een betaling doet aan de eigen directeur-grootaandeelhouder (dga) kan daarvoor op de vingers worden getikt. Maar een vaste uitkering van een managementvergoeding hoeft geen onrechtmatige betaling te zijn, heeft de rechtbank Limburg onlangs geoordeeld.

4 september 2017 | Door redactie

In deze zaak draaide het om het faillissement van een fitnessclub. De aandelen van die club waren in handen van een beheer-bv. De dga van die bv keerde zichzelf vanuit de fitnessclub elke maand een managementvergoeding van € 4.600 uit.
De onderneming vroeg op 29 januari 2015 het faillissement (tools) aan. Maar twee dagen daarvoor werd de managementvergoeding nog uitgekeerd aan de dga.
De curator van de fitnessclub vond dat hier sprake was van ‘paulianeus handelen’. Ofwel: het bevoordelen van een schuldeiser in het zicht van een faillissement. Dat kan het geval zijn als de schuldeiser op het moment van de betaling op de hoogte was van het faillissement van de organisatie of als er vooraf overleg is geweest om – gechargeerd – nog even snel een betaling te doen vóórdat de organisatie op de fles gaat.

Betaling managementvergoeding op vast moment

De curator stelde dat er overleg was geweest tussen de fitnessclub en de beheer-bv om vlak voor het faillissement nog de managementvergoeding uit te keren.
Maar de kantonrechter ging daar niet in mee. De managementvergoeding werd namelijk elke maand standaard op de 27e uitbetaald. Voor die transactie was dus geen overleg nodig, en de schuldenaar (de fitnessclub) en de schuldeiser (de beheer-bv) hadden ook niet samengespannen, aldus de rechter. Verder had de algemene vergadering van aandeelhouders op 28 januari het besluit genomen om het faillissement aan te vragen, en is die aanvraag een dag later gedaan. Op het moment van de betaling was het faillissement dus nog niet aangevraagd.
Al met al zag de rechter geen reden om de transactie aan te merken als paulianeus handelen en de betaling terug te draaien. De curator moest de proceskosten van € 400 betalen.
Rechtbank Limburg, 26 juli 2017, ECLI (verkort): 7247