Fiscale eenheid kan niet door de beugel

De Nederlandse fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting (VPB) is in strijd met de Europese regels. Volgens het Europees Hof van Justitie moet het mogelijk zijn om een fiscale eenheid te vormen als de tussenliggende vennootschap of moedervennootschap niet in Nederland is gevestigd. Op dit moment wijst de Belastingdienst zo’n verzoek nog af.

13 juni 2014 | Door redactie

In het bericht ‘Fiscale eenheid VPB is niet EU-proof’ kon u al lezen dat advocaat-generaal Kokott de Nederlandse fiscale eenheid in strijd vond met het Europees recht. De fiscus moest de fiscale eenheid tussen een Nederlandse moeder en kleindochter met een tussenliggende buitenlandse dochter en een fiscale eenheid tussen twee Nederlandse dochters met een buitenlandse moeder volgens de advocaat-generaal gewoon goedkeuren.

Nederland mag geen onderscheid maken

Het Europees Hof van Justitie bevestigde deze conclusie van de advocaat-generaal. De Nederlandse fiscale wetgeving mocht geen onderscheid maken tussen een geheel Nederlandse situatie en een situatie waarin een tussenliggende vennootschap of moeder in een andere lidstaat was gevestigd. De Nederlandse regeling was volgens het Europees Hof in strijd met de vrijheid van vestiging.
Het gevolg is dat Nederland een fiscale eenheid tussen Nederlandse bv’s met een tussenliggende buitenlandse vennootschap of moeder moet gaan toestaan. 
Europese Hof van Justitie, 12 juni 2014, C-39/13, C-40/13 en C-41/13