Fiscus mag besluit fiscale eenheid VPB niet herzien

Twee ondernemingen in een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting (VPB) hoeven een eerder verrekend verlies niet in te leveren van de rechter. De inspecteur wilde de goedkeuring voor de fiscale eenheid intrekken, maar de wet biedt daar volgens het gerechtshof helemaal geen ruimte voor.

23 november 2021 | Door redactie

De Belastingdienst ziet ondernemingen in een fiscale eenheid voor de VPB als één belastingplichtige. Zij hoeven dus ook maar één aangifte VPB (toolbox) in te leveren en mogen winsten en verliezen onderling verrekenen. Een nadeel kan zijn dat de fiscale eenheid ook maar één keer kan profiteren van het lage VPB-tarief.

Verlies uit deelnemingen voor fiscale eenheid

Ondernemingen die een fiscale eenheid voor de VPB willen vormen en aan de voorwaarden voldoen (infographic) moeten daarvoor een verzoek indienen bij de inspecteur. Dat hadden twee bv’s in deze rechtszaak ook gedaan, en dat verzoek was ingewilligd. Over 2010 voerde de fiscale eenheid een verlies uit deelnemingen van ruim € 3,1 miljoen op in de aangifte. Daardoor kwam het resultaat over dat jaar uit op € 2 miljoen verlies. De inspecteur legde de definitieve aanslag ook op volgens de aangifte.
Maar later kwam de inspecteur daarvan terug. Op basis van nieuwe informatie concludeerde de fiscus dat er nooit voldaan was aan de voorwaarden om een fiscale eenheid te vormen. De eenheid had dus nooit bestaan. De inspecteur schrapte daarom het verlies uit deelnemingen uit de aangifte, waardoor er een winst overbleef van ruim € 1 miljoen. Voor dat bedrag legde de inspecteur dan ook een navorderingsaanslag op aan één van de twee bv’s. Die vocht de aanslag aan bij de rechter.

Alleen herziening bij onjuiste informatie

Het gerechtshof moest nu de vraag beantwoorden of de inspecteur de fiscale eenheid had mogen schrappen. En het hof vond van niet. De wet biedt namelijk niet de mogelijkheid om een afgegeven beschikking in het nadeel van de belastingplichtige te herzien. Als dat wel zou kunnen zou dat de rechtszekerheid aantasten. Alleen als een belastingplichtige met onjuiste of onvolledige informatie de inspecteur op het verkeerde been zet zou het redelijk zijn om de beschikking te herzien. Maar van opzettelijk onjuiste informatievoorziening was hier geen sprake, volgens het hof. De slotsom was daarom dat er in het jaar 2010 ‘gewoon’ een fiscale eenheid was en dat de navorderingsaanslag ten onrechte was opgelegd.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 5 november 2021, ECLI (verkort): 3361