Geen fe meer, dan ook geen aansprakelijkheid meer

Wordt er niet meer voldaan aan de vereisten voor een fiscale eenheid (fe) BTW, dan moet de inspecteur aparte aangiften sturen aan de lichamen die voorheen deel uitmaakten van de fe. Doet hij dit niet, dan kan hij de fe niet aanspreken op onjuist gedane aangiften na verbreking van de fe.

22 juni 2017 | Door redactie

In deze zaak ging het om een directeur-grootaandeelhouder (dga) met een aantal bv’s die vanaf 2004 een fe voor de BTW (tool) vormden. Deze bv’s waren in de loop van 2005 verhuisd naar België. De dga was in dat jaar ook naar België verhuisd en leidde ook vanuit dit land de bv’s. In 2015 werd deze dga ten laste gelegd dat hij onjuiste BTW-aangiften over 2007 en 2008 had ingediend. De fraudezaak kwam bij Hof Den Bosch terecht.

Lichamen niet meer in Nederland gevestigd

Dit hof vond dat door de verplaatsing van de bv’s en de verhuizing van de dga in 2005 naar België de vestigingsplaats van de tot de fe behorende bv’s al voor 2007 was verplaatst naar onze zuiderburen. Hierdoor werd er niet meer voldaan aan het vereiste (tool) dat de lichamen van een fe in Nederland gevestigd moeten zijn. Er was nog wel een showroom in Nederland, die op afspraak bezocht kon worden, maar de rechter vond dat deze niet als vaste inrichting aan te merken was. De inspecteur had iedere bv die eerder behoorde tot de fe een aparte aangifte moeten sturen omdat zij door het eindigen van de fe zelfstandig belastingplichtig voor de leveringen vanuit België naar hun Nederlandse afnemers waren geworden. Ook het feit dat het einde van de fe niet gemeld was speelde geen rol voor het oordeel van de rechter. Deze feiten leidden tot vrijspraak.
Gerechtshof Den Bosch, 20 juni 2017, ECLI (verkort): 2771