Geen uitsluiting kleindochter van FE VPB

Uw onderneming kan een fiscale eenheid vennootschapsbelasting (VPB) aangaan met een Nederlandse kleindochter, terwijl uw onderneming slechts aandelen heeft in de buitenlandse dochteronderneming. Uw onderneming moet dan wel indirect tenminste 95% van de aandelen houden. De rechter in Haarlem heeft dit recent bepaald.

12 oktober 2011 | Door redactie

In deze zaak ging het om een Nederlandse bv (moeder), die 99% van de aandelen hield in een Duitse vennootschap. Deze Duitse vennootschap was een houdstermaatschap en hield alle aandelen van een Nederlandse bv (kleindochter). De buitenlandse vennootschap had geen vaste inrichting in Nederland. Op 25 maart 2009 verzochten de Nederlandse moeder en de Nederlandse kleindochter om voeging in de fiscale eenheid voor de VPB. De fiscus wees dit verzoek echter af. De rechter moest nu bepalen of het wel mogelijk was om in deze situatie een fiscale eenheid VPB aan te gaan. 

Voldoende informatie buitenland

De rechtbank vond dat een fiscale eenheid in deze situatie wel was toegestaan. De regeling waarbij een fiscale eenheid alleen mogelijk was als de tussenhoudster in Nederland was gevestigd of over een vaste inrichting beschikte in Nederland, ging te ver. Dit was volgens de rechter niet nodig om de samenhang van de belastingheffing in Nederland te waarborgen. Door het toestaan van een fiscale eenheid bestond wel het risico van een dubbele verliesverrekening, maar dit was ook op een minder ingrijpende manier te voorkomen. Daarnaast kon de fiscus op basis van een Europese richtlijn inzake de wederzijdse bijstand (EU-richtlijn 77/799) voldoende informatie krijgen over de buitenlandse vennootschap. De inspecteur moest met deze uitspraak van de rechtbank opnieuw zijn afwijzing van de beschikking voor de fiscale eenheid overwegen.
Rechtbank Haarlem, 14 september 2011, LJN: BT2305