Rechter kan hardheidsclausule niet toepassen

Fiscale regels kunnen soms onbedoelde gevolgen hebben, maar de rechtbank is dan niet altijd de aangewezen plaats om aan deze gevolgen te ontkomen. Een goed voorbeeld daarvan is een recente zaak bij de rechtbank in Den Haag. Twee bv’s gingen een fiscale eenheid aan. Daardoor viel echter onbedoeld zo’n € 15 miljoen vrij in de winst.

11 augustus 2011 | Door redactie

De fiscale regelgeving is vrij strikt. Zelfs als het opvolgen van deze regels leidt tot ongewenste effecten, mag de Belastingdienst er niet zomaar van afwijken. Daarvoor is eerst toestemming nodig van de minister van Financiën. Recent moest een rechter zich echter uitspreken over onbedoelde gevolgen van wetgeving.

Grote onderlinge schuld

De zaak draaide om een bv met een groot negatief vermogen, onder andere veroorzaakt door een grote schuld aan haar aandeelhouder. In 1998 verkocht deze aandeelhouder de bv, waarbij de schuldvordering met een nominale waarde van zo’n € 14 miljoen voor slechts ƒ 75.000 (€ 34.034) werd overgenomen. Eind 2004 stond deze schuld nog voor € 762 op de balans bij de nieuwe aandeelhouder. Toen deze aandeelhouder een fiscale eenheid aanging met de bv ging het echter mis.

Waarderingsregels bij fiscale eenheid

Bij het aangaan van de fiscale eenheid moesten de waarderingsregels voor onderlinge vorderingen en schulden worden toegepast. Dit leidde volgens de inspecteur tot een vrijvalwinst van bijna € 15 miljoen. De fiscale eenheid ging hiertegen in beroep, maar volgens de rechtbank had de fiscus de waarderingsregels juist toegepast. Ondanks dat ook de rechter vond dat de uitkomst in dit geval ongewenst was, moest hij de inspecteur gelijk geven. Een eventuele uitzondering voor de toepassing van wettelijke regels bij ongewenste gevolgen, de zogenoemde hardheidsclausule, kan namelijk alleen worden toegepast door de minister van Financiën.
Rechtbank ’s-Gravenhage, 13 juli 2011, LJN: BR3968