Afroommethode niet alleen in vette jaren

Voor het bepalen van het gebruikelijk loon van de directeur-grootaandeelhouder (dga) mag de inspecteur niet van jaar tot jaar kiezen tussen de afroommethode en het werkelijk uitbetaalde loon. Gerechtshof Den Haag vond dat de Belastingdienst deze vrijheid niet had.

4 mei 2015 | Door redactie

In deze zaak draaide het om een directeur-grootaandeelhouder (dga) die met zijn bv wisselende resultaten behaalde in de periode 2007-2011. Het loon dat de dga zichzelf toekende, bleef in die periode wel stabiel. De inspecteur corrigeerde echter de aangiftes voor 2007, 2009 en 2010. De bv had in die jaren namelijk veel meer omzet behaald en de inspecteur paste voor die jaren afroommethode toe voor het bepalen van het gebruikelijk loon. Hierdoor kreeg de bv een forse naheffingsaanslag te verwerken. De bv stapte daarom naar de rechter.

Afroommethode leidt tot willekeurige belastingheffing

Voor de rechter stelde de inspecteur dat hij de vrijheid had om voor de vette jaren van de bv de afroommethode te gebruiken. De dga was namelijk de enige werknemer van de bv en dus zelf verantwoordelijk voor de behaalde omzet. Volgens de rechter had de inspecteur die vrijheid echter niet. Uit de wettekst bleek namelijk niet dat de inspecteur de keuze mocht maken om het ene jaar wel de afroommethode toe te passen en het andere jaar niet. Dit zou volgens het gerechtshof ook onwenselijk zijn. Het zou namelijk leiden tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing. De naheffingsaanslagen konden dus niet in stand blijven
Gerechtshof Den Haag, 11 maart 2015, ECLI (verkort): 962