AG: geen willekeur toestaan bij afroommethode

Volgens de advocaat-generaal (AG) heeft de fiscus niet de vrijheid om willekeurig de afroommethode toepassen om de hoogte van het gebruikelijk loon van de directeur-grootaandeelhouder (dga) te bepalen. Hetzelfde moet volgens de AG ook gelden voor de rechter die bij geschillen een oordeel moet geven over het gebruikelijk loon.

8 februari 2016 | Door redactie

In die zaak was een bv bij het gerechtshof in het gelijkgesteld over de vaststelling van het gebruikelijk loon van haar dga. De inspecteur had het gebruikelijk loon naar boven gecorrigeerd (tool) op basis van de afroommethode toen de bv in die jaren veel winst maakte. Het gerechtshof had in beroep geoordeeld dat de inspecteur niet de vrijheid heeft om voor dit soort jaren terug te vallen op de afroommethode en in de andere jaren te kiezen voor de vergelijkingsmethode. De staatssecretaris ging tegen de uitspraak in cassatie (tool), maar volgens de AG blijkt uit de wet en de jurisprudentie nergens dat de Belastingdienst of de rechter zich deze vrijheid mag veroorloven. Het is niet bekend wanneer de Hoge Raad definitief oordeelt in deze zaak.

Afroommethode raakt verder uit beeld

De AG verwees in haar conclusie ook naar een andere recente zaak waarin Gerechtshof Den Haag eveneens oordeelde dat de inspecteur geen keuzevrijheid had bij de keuze voor de afroommethode. De AG merkte bovendien nog op dat bij de meest recente wijzigingen in de gebruikelijkloonregeling (tool) de staatssecretaris zelf heeft gesteld dat door de wijziging het belang van de afroommethode verder is afgenomen. Volgens de AG moet hieruit geconcludeerd worden dat ook de staatssecretaris vindt dat de afroommethode ondergeschikt is aan de vergelijkingsmethode.
Parket bij de Hoge Raad, 19 januari 2016, ECLI (verkort): 26