Bij meerdere werknemers geen afroommethode

Voor het bepalen van uw gebruikelijk loon mag de Belastingdienst de afroommethode toepassen als de opbrengsten van de bv nagenoeg geheel het gevolg zijn van uw werkzaamheden. Uit een recente uitspraak van het gerechtshof in Amsterdam blijkt dat de fiscus deze methode in principe niet mag gebruiken als er meerdere werknemers in dienst zijn bij uw bv.

3 april 2014 | Door redactie

Het draaide in deze zaak om een orthodontist die haar werkzaamheden in een bv verrichtte waar ze ook dga van was. De bv kreeg over het jaar 2003 een stevige naheffingsaanslag opgelegd. De inspecteur had na een boekenonderzoek geconcludeerd dat het loon van € 59.783 van de dga veel te laag was. Hij verhoogde daarom het gebruikelijk loon met € 77.017 en sloeg de bv aan voor de achterstallige loonheffingen. De orthodontist was het hier niet mee eens en ging in beroep.

Vereiste voor de afroommethode

In eerste instantie had de inspecteur de afroommethode toegepast. Hierbij had hij de hoogte van het loon van de orthodontist bepaald door te kijken naar de winst van de bv. Bovendien vond hij dat de gemaakte winst geheel toe te schrijven was aan de werkzaamheden van de orthodontist, wat een vereiste is voor het gebruik van de afroommethode. De inspecteur had hierbij echter geen rekening gehouden met het feit dat er ook andere werknemers in dienst waren bij de bv, zoals mondhygiënisten en assistenten. In zo’n situatie mag de fiscus niet van de afroommethode uitgaan. Dit omdat niet zonder meer aangenomen kan worden dat de opbrengsten van de bv volledig voortvloeien uit de door de dga verrichte arbeid. De inspecteur had niet aannemelijk gemaakt dat tenminste 90% van de winst van de bv voortvloeide uit haar werkzaamheden. Had hij dit wél gedaan, dan was de afroommethode gewoon van toepassing geweest. De Hoge Raad verwees de zaak weer terug naar het gerechtshof.

Overtuigend beargumenteren afroommethode

Bij het gerechtshof bleef de inspecteur toch bij zijn eerdere standpunt. Hij liet echter na hier voldoende en overtuigend bewijs voor aan te dragen. Ook de winstreductiemethode (waarbij de inspecteur keek naar de opbrengst van de werkzaamheden van de dga, maar niet naar de opbrengsten van de bv als geheel) kon hij niet overtuigend beargumenteren. In beide gevallen was de bewijslast dus niet overtuigend, zeker omdat de inspecteur als aanvullend bewijs documentatie had aangedragen waarin de beloningsstructuur voor tandartsen uiteengezet werd. De rechter was het met de orthodontist eens dat de praktijk van een orthodontist verschilde met die van een tandarts. De inspecteur had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat dit anders zou zijn. De rechter gaf de orthodontist dan ook gelijk.
Gerechtshof Amsterdam, 13 maart 2014, ECLI (verkort): 783