Gebruikelijk loon twee keer zo hoog als de omzet

Een directeur-grootaandeelhouder (dga) van een onderneming moet voor zijn werk in de loonaangifte een 'gebruikelijk loon' opnemen. Dat kan lager zijn dan het standaardbedrag van € 46.000, maar dan moet de dga daar wél een goed verhaal bij hebben. Simpelweg aandragen dat de omzet véél lager is, overtuigt het gerechtshof niet.

24 februari 2020 | Door redactie

Iedereen die een aanmerkelijk belang heeft in een vennootschap én werk doet voor diezelfde onderneming, krijgt te maken met het gebruikelijk loon (infographic). Dit geldt óók voor echtgenoten van iemand met een aanmerkelijk belang die werken voor de onderneming.

Naheffingsaanslag om te laag gebruikelijk loon

Een gebruikelijk salaris is wat iemand in de ‘meest vergelijkbare dienstbetrekking’ verdient, die geen aanmerkelijk belang heeft. Het standaardbedrag voor 2020 is € 46.000, tenzij de inspecteur of de dga aan kunnen tonen dat het hoger of lager moet zijn.
Dat het geen loze kreet is dat er genoeg bewijs moet zijn voor het in de aangifte opgenomen gebruikelijk loon, merkte een dga bij een zaak bij het Gerechtshof Amsterdam. In dit geval ging het om de dga van een Britse Limited. Zij woonde in Nederland en hield zich bezig met zorgverlening aan particulieren. Haar echtgenoot deed ook werk voor de Limited. In 2015 kreeg hij hiervoor € 18.600 aan loon.
De inspecteur kwam met een naheffingsaanslag, omdat het loon van de echtgenoot € 44.000 moest zijn (het standaardbedrag in 2015). Volgens de dga was dat veel te hoog, omdat zij van de gemeente maar € 22.000 had gekregen voor de inkoop van zorg.

Dga toont niet aan dat lager loon gebruikelijk is

Het gerechtshof vond dat echter veel te mager. De bewijslast dat een lager loon gebruikelijk is ligt bij de dga, zo benadrukte het hof. En de stelling dat de gemeente een veel lager bedrag had uitbetaald was niet voldoende. Zeker omdat die € 22.000 niet was onderbouwd met documenten. Ook was in de winst- en verliesrekening over 2015 een ander bedrag als ‘omzet’ genoemd. Maar ook als er wél genoeg bewijs was voor het bedrag van € 22.000, was de dga er niet mee weg gekomen. Want daarmee was nog altijd niet aangetoond dat een lager loon in de ‘meest vergelijkbare dienstbetrekking’ gebruikelijk was. De inspecteur mocht dus uitgaan van het loon van € 44.000.
Gerechtshof Amsterdam, 28 januari 2020 (publicatiedatum 19 februari 2020), ECLI (verkort): 382