Loon echtgenote niet bepalend voor loon dga

Bij de bepaling van de hoogte van uw gebruikelijk loon, mag de fiscus geen rekening houden met het daadwerkelijk genoten loon van uw partner als die in dienst is bij uw bv. Dit heeft de Hoge Raad onlangs bepaald in een arrest.

30 april 2014 | Door redactie

Het draaide in deze zaak om een klein uitzendbureau. De dga was de enige aandeelhouder, en zijn vrouw was in dienst als werknemer. De Belastingdienst corrigeerde de aangifte van de bv over de jaren 2006, 2007 en 2008. De inspecteur vond namelijk dat het loon van de dga te laag was. De echtgenote van de dga, die in de jaren de statutair directeur was van de bv, genoot een hoger loon dan haar man. Volgens de dga had dit te maken met zijn gezondheid: die was in die jaren zo slecht dat hij minder uren besteedde aan zijn bv en zichzelf daarom een lager loon had toegekend. De werkzaamheden werden opgevangen door zijn echtgenote. De zaak kwam terecht bij Rechtbank Den Haag, en die stelde in eerste instantie de inspecteur in het gelijk.

Werkzaamheden van de echtgenote niet geadministreerd

De dga ging in beroep tegen de uitspraak van de rechtbank. Gerechtshof Den Haag kwam tot de conclusie dat de dga niet kon bewijzen dat zijn vrouw in 2006, 2007 en 2008 het merendeel van het werk had verricht. De dga was weliswaar arbeidsongeschikt verklaard, maar de bv kon geen arbeidsovereenkomsten of tijdregistratie overleggen waaruit bleek dat zijn vrouw het werk had overgenomen. Bovendien was de dga nog gedeeltelijk werkzaam voor de bv, waarvoor hij ook loon kreeg. Het Hof kwam daarom tot een andere interessante conclusie: door deze omstandigheden moest de gebruikelijkloonregeling op beide echtelieden van toepassing zijn. Het loon van de dga en het loon van de vrouw waren gezamenlijk hoger dan de norm voor het gebruikelijk loon. Het gerechtshof vernietigde daarom de naheffingsaanslagen van de inspecteur.

Gebruikelijk loon beperkt tot aanmerkelijkbelanghouder

De staatssecretaris van Financiën ging namens de Belastingdienst in cassatie. De Hoge Raad oordeelde vervolgens dat de conclusie van het Gerechtshof Den Haag niet overeind kon blijven. Het Hof had ten onrechte geoordeeld dat de gebruikelijkloonregeling voor zowel de dga als zijn vrouw gold. De Hoge Raad wees erop dat het gebruikelijk loon alleen van toepassing kan zijn op de aanmerkelijkbelanghouder. Dat het in deze zaak ging om de echtgenote van de dga en een huwelijk in gemeenschap van goederen, was niet van belang. Het Hof was dus buiten de grenzen van het geschil getreden, en de Hoge Raad verwees de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam voor een nieuwe beoordeling.
Hoge Raad, 18 april 2014,ECLI (verkort): 934