Loon meestverdienende werknemer ‘gebruikelijk’ voor dga

De rechtbank heeft een flinke naheffingsaanslag aan loonheffingen voor een directeur-grootaandeelhouder (dga) in stand gelaten. Het lukte de dga namelijk niet om aan te tonen dat iemand in ‘de meest vergelijkbare dienstbetrekking’ minder verdient dan de inspecteur stelde.

15 november 2021 | Door redactie

Een dga moet voor zijn werk een gebruikelijk loon opnemen in de loonaangifte. Volgens de vuistregel is een ‘gebruikelijk’ salaris het hoogste van deze drie bedragen:

  • 75% van het loon van een werknemer in de ‘meest vergelijkbare dienstbetrekking’;
  • het loon van de meestverdienende werknemer van de organisatie of van een verbonden vennootschap;
  • € 47.000 (normbedrag 2021).

Inspecteur corrigeert gebruikelijk loon dga

In deze zaak was het helder dat de dga vanwege zijn verantwoordelijkheden ruim boven het normbedrag zat. Het ging dus om het toepassen van de andere twee criteria (artikel). De bv had over het jaar voor de dga een gebruikelijk loon opgenomen van ruim € 122.000. De inspecteur oordeelde dat dit te laag was, en corrigeerde het naar dik € 215.000. Dat kwam de bv op een naheffingsaanslag voor loonheffingen te staan. De bv maakte bezwaar tegen die aanslag en toen dat werd afgewezen stapte zij naar de rechter (toolbox).
Bij de rechtbank moest de bv aannemelijk maakte dat het salaris van € 122.000 ook echt ‘gebruikelijk’ was voor iemand in de meest vergelijkbare dienstbetrekking. De onderneming leverde daarvoor onder meer brieven in van twee ondernemingen. Die meldden daarin dat het salaris voor een ‘directeur’ met zo’n 150 werknemers onder zich circa € 120.000 per jaar was. De inspecteur voerde andere salarissen aan van werknemers die volgens hem vergelijkbaar waren. Die lonen lagen veel hoger dan € 120.000.

Rechtbank vindt onderbouwing te karig

De rechtbank stelde vast dat het salaris van de meest verdienende werknemer van de bv zelf of een verbonden vennootschap ruim € 215.000 bedroeg. In principe zou dit dus het gebruikelijk loon voor de dga moeten zijn. Dat kon alleen anders worden als de bv kon aantonen dat de € 215.000 hoger was dan 75% van het salaris van iemand in de meest vergelijkbare dienstbetrekking. En volgens de rechtbank was de bv daar niet in geslaagd. Bij de ingeleverde brieven was het te onduidelijk welke looncomponenten mee waren genomen bij het salaris en wat de functie van de genoemde ‘directeur’ precies inhield. De rechtbank vond het gezien de bedrijfsvoering aannemelijk dat de verantwoordelijkheden van de dga veel breder waren.
De slotsom was dat de bv niet had aangetoond dat de genoemde dienstbetrekkingen ‘het meest vergelijkbaar’ waren. En dus ook niet dat het 75% van het loon uit die dienstbetrekkingen lager was dan € 215.000. Daarom mocht de inspecteur uitgaan van het salaris van de meest verdienende werknemer in een verbonden vennootschap: € 215.000 dus. De naheffingsaanslag bleef overeind.
Rechtbank Noord-Holland, 15 oktober 2021 (publicatiedatum 8 november 2021), ECLI (verkort): 9979