Box 3-heffing over werkelijk rendement is er nog lang niet

Staatssecretaris Snel van Financiën heeft aangegeven dat een box 3-heffing op basis van het werkelijk rendement nog wel even op zich laat wachten. De consequenties van de invoering moeten zorgvuldig worden afgewogen en dit kost meer tijd dan hij in eerste instantie had gepland.

11 februari 2019 | Door redactie

Er zou in het voorjaar van 2018 al een brief bij de Tweede Kamer hebben moeten liggen over een box 3-heffing op basis van het werkelijk rendement met daarbij ook een tijdpad. Deze brief is echter nog steeds niet aan de Tweede Kamer toegestuurd. Snel geeft in reactie op de vraag waar deze brief blijft aan dat er nog aan een stelsel van vermogensrendementsheffing op basis van werkelijk rendement wordt gewerkt. Dit duurt echter langer dan gedacht. Dit komt onder meer door de consequenties die dit nieuwe stelsel met zich mee zal brengen ten aanzien van de administratieve lasten voor burgers en de risico’s op belastingontwijking en de uitvoerbaarheid. Het kabinet wil deze consequenties dan ook zorgvuldig afwegen en heeft hiervoor langer nodig dan de staatssecretaris had ingeschat op het moment van het verzenden van de fiscale beleidsagenda.

Werkelijk rendement moet uitgangspunt worden

In juni 2018 hebben belangenorganisaties van belastingplichtigen en ondernemers in een brief aan het kabinet al een gezamenlijke oproep gedaan om de vermogensrendementsheffing aan te passen. Het werkelijke rendement moest volgens hen het uitgangspunt worden voor de box 3-heffing.

Box 3-heffing in 2019

In het Belastingplan 2018 was al aangegeven dat voor de bepaling van het forfaitaire rendement op sparen dichter bij het actuele gemiddelde werkelijke rendement moest worden aangesloten. Voor 2019 is het gemiddelde spaarrendement in de periode juli 2017 tot en met juni 2018 bepalend. Het rendement voor sparen voor 2019 wordt 0,13%. Het langetermijnrendement voor beleggingen voor 2019 komt uit op 5,60%. Het heffingsvrije vermogen bedraagt € 30.360 per persoon.