Hoge Raad vindt box 3-heffing buitensporige last

De Hoge Raad heeft aangegeven dat de wijze van het berekenen van het inkomen uit sparen en beleggen (box 3) tot een individuele en buitensporige last kan leiden in concrete gevallen.

9 april 2018 | Door redactie

Het ging in deze zaak om een man die op 31 januari 2013 zijn vermogen had geïnvesteerd in aandelen van SNS Reaal. Een dag later, op 1 februari, nam de Staat de aandelen van het financiële concern over om het van de ondergang te redden. De toenmalige aandeelhouders moesten hun stukken afgeven en accepteren dat ze daar geen compensatie voor kregen. Dat was al een schok, maar bij de aangifte over het jaar 2013 kreeg de man nog een negatieve verrassing te verwerken. Hij had namelijk voor het inkomen uit sparen en beleggen (tool) ‘nihil’ opgegeven, omdat hij immers vrijwel het hele jaar geen rendement had behaald op de aandelen SNS. De inspecteur corrigeerde dit echter. Hij keek namelijk naar het vermogen op
1 januari 2013, de waardepeildatum. Toen had de man nog voor zo’n € 275.000 aan aandelen in een andere nv in portefeuille, die hij eind januari dus omzette in SNS Reaal-aandelen. Door de correctie kwam de man ook nog met zijn inkomen boven de grens voor huurtoeslag. De al ontvangen toeslag van dik € 2.600 moest hij dus ook terugbetalen.

Met inkomen onder armoedegrens

De man kwam met zijn inkomen onder de armoedegrens terecht en vond dan ook dat er voor hem sprake was van een buitensporige last. Hij stelde voor om de heffing alleen over de maand januari te berekenen, omdat hij de rest van het jaar nooit rendement had kunnen halen op de aandelen. De inspecteur vond ook wel dat het een ‘bijzonder sneu’ verhaal was. Maar hij bleef erbij dat er geen andere mogelijkheid was, omdat de wet nu eenmaal geen rekening houdt met de ontwikkelingen na de waardepeildatum. Het hof vond echter dat hier voor de man wel degelijk sprake was van een buitensporige last en dat de box 3-heffing dus in strijd was met artikel 1 van het EVRM. De heffing had nu zulke verstrekkende gevolgen dat ze in geen verhouding meer stond tot het doel. De staatssecretaris ging tegen deze uitspraak in cassatie.

Achter uitspraak Hof scharen

De Hoge Raad schaarde zich ten aanzien van de buitensporige last achter de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad was het echter wel met de staatssecretaris eens dat het Hof bij het plegen van rechtsherstel niet naar eigen inzicht de regels van de artikelen in de Wet inkomstenbelasting naar tijdsevenredigheid had mogen toepassen. In dit geval had het Hof wel  zelf de zaak af mogen doen. Maar dat was geen reden om het cassatieberoep toe te kennen. Het beroep werd dus afgewezen.
Hoge Raad,  6 april 2018, ECLI (verkort): 511