Met buitensporige last box 3 weer niet onderuit

Met het stellen dat er sprake van een buitensporige last is bij de box 3-heffing in 2012 en 2013 komt een belastingplichtige ook deze keer niet onder de zo gehate heffing uit. De rechter geeft aan dat het veronderstelde rendement van 4% niet leidt tot deze last.

31 augustus 2017 | Door redactie

In deze zaak ging het om een belastingplichtige en haar echtgenoot die in het buitenland een aantal bankrekeningen hadden die ze nooit in hun aangiften IB hadden opgenomen. In 2013 kozen zij voor inkering en gaven de gegevens van de rekeningen door aan de fiscus. Daarop legde de inspecteur navorderingsaanslagen over 2012 en 2013 op. Het echtpaar ging hiertegen, na een afgewezen bezwaar, in (hoger) beroep omdat de wetgever met de invoering van de box 3-heffing (tool) en het veronderstelde rendement van 4% een buitensporige last had opgelegd aan belastingplichtigen vooral als het vermogen voornamelijk bestond uit bank- en spaartegoeden en geldmarktfondsen.

Rendement van 4% niet haalbaar

Hof Den Haag ging hierin niet met hen mee. De rechter gaf aan dat het stel niet met bewijs was gekomen dat het rendement van 4% voor een langere periode niet behaald zou kunnen worden. Er was dan ook geen sprake van een buitensporig zware last. Hierbij verwees hij naar een arrest van 3 april 2015 van de Hoge Raad. Hij gaf ook nog aan dat uit een rapport van Commissie Van Dijkhuizen weliswaar naar voren was gekomen dat in de periode van 2001 tot en met 2012 het rendement van 4% bijna nooit behaald werd, maar dat daaruit niet de conclusie kon worden getrokken dat het echtpaar de 4% niet zou kunnen hebben behaald. Deze conclusie was alleen anders geweest als zou zijn bewezen dat de  4% per jaar over alle mogelijke beleggingsvormen over een langere periode structureel onhaalbaar was.
Hof Den Haag, 7 juni 2017, ECLI (verkort): 1637